De volgende Boeddha zal een collectief zijn

From P2P Foundation
Jump to: navigation, search


Bron

Jean Lievens, vertaler:

De volgende Boeddha zal een collectief zijn

URL = http://www.realitysandwich.com/next_buddha_will_be_a_collective

Oorspronkelijke tekst: “The Next Buddha Will Be a Collective”, gepubliceerd op 4/03/2008 op Reality Sandwich


Tekst

Michel Bauwens:


Deel 1: Algemene inleiding

"Spirituele expressie en de religieuze organisatievormen waarbinnen ze plaatsvinden, zijn altijd ingebed in een sociale structuur. We zouden bijvoorbeeld kunnen stellen dat tribale vormen van religie zoals animisme en sjamanisme geen uitgewerkte hiërarchische structuren hadden aangezien ze tot stand kwamen binnen maatschappelijke structuren met redelijk egalitaire verhoudingen die steunden op onderling verwantschap. Maar de grote georganiseerde religies die ontstonden in hiërarchisch maatschappijen hebben complexe hiërarchische structuren, monologische concepten van de waarheid en verwachten gehoorzaamheid van hun leden. De Protestantse reformatie en haar uitlopers namen heel wat democratische aspecten aan boord die overeenkwamen met de opkomst van een nieuwe stedelijke klasse onder het mercantilistisch en industrieel kapitalisme, en de vele uitlopers van de New-age-bewegingen houden er duidelijk hedendaagse kapitalistische praktijken op na zoals betaalde workshops, opleidingen, enz. (d.w.z. spirituele ervaring in de vorm van een consumptiegoed).

In dit essay beweren we dat er in onze hedendaagse samenleving een evolutie aan de gang is naar de overheersing van gedistribueerde netwerken, waarbij maatschappelijke relaties gebaseerd zijn op peer-to-peer, en dat die ontwikkeling spirituele expressies fundamenteel zal beïnvloeden.

Om onze ideeën te ordenen, zullen we gebruikmaken van een drieledige verdeling van organisatievormen en een vierdelige structuur van menselijke verhoudingen. We kunnen menselijke organisatievormen voorstellen als netwerkstructuren die de relaties tussen de leden van een gemeenschap bepalen. Een veelvoorkomende vorm van netwerk is de hiërarchische, waarbij relaties en handelingen uitgaan van het centrum. Ze wordt grafisch voorgesteld door een stervorm, maar vaak ook door een piramidale structuur. Een tweede veelvoorkomende netwerkvorm is het gedecentraliseerde netwerk, waarin handelingen en relaties van de agenten beperkt worden door vooraf bepaalde knooppunten. In gedecentraliseerde netwerken wordt de macht overgedragen aan verschillende groepen of entiteiten die een onderling evenwicht moeten vinden. De agenten behoren doorgaans tot verschillende gedecentraliseerde groepen die hun belangen op een of andere manier vertegenwoordigen. Tot slot hebben we gedistribueerde netwerken die grafisch worden voorgesteld door dezelfde stervorm, maar ze vertonen een eigenschap die fundamenteel verschillend is. Hoewel ook in gedistribueerde netwerken knooppunten zijn (dat zijn punten waar er veel verbindingen samenkomen), zijn ze vrijwillig. Denk aan het verschil tussen een vliegtuig dat een tussenlanding maakt op de luchthaven van een grote stad en een auto die je veel meer vrijheid biedt. In het eerste geval ben je verplicht om via de hub te reizen want iemand anders bepaalde het traject. Met de auto kan je ook via hetzelfde knooppunt rijden –wat veel mensen ook doen- maar je kunt er ook omheen rijden; aan jou de keus!

Onze eerste stelling is dat gedistribueerde netwerken de dominante vorm worden van menselijke technologische en organisatorische kaders. Denk aan het internet en het web als punt-naar-punt- of eind-naar-eind-netwerken. Denk aan het stijgend succes van nieuwe praktijken bij micromedia zoals wiki’s en bloggen, die veel mensen in staat stellen om zich uit te drukken zonder een beroep te moeten doen op voormalige gedecentraliseerde massamedia. Denk aan teamgebaseerde projectgroepen die steeds vaker worden gebruikt in de werksfeer. In een gedistribueerd netwerk zijn ‘peers’ (gelijken) vrij om zich aan te sluiten en acties te ondernemen. De organisatorische eigenschappen zijn het resultaat van de keuzes van de individuen. Het tweede kader dat we gebruiken, is de vierdelige relationele typologie van de antropoloog Alan Page Fiske, uitvoerig beschreven in zijn baanbrekende verhandeling “Structures of Social Life”.

Volgens Fiske zijn er vier manieren waarop mensen zich met elkaar kunnen verbinden. Die typologie is als onderliggende grammatica van toepassing op zowel verschillende culturen als diverse tijdperken. Culturen en beschavingen kiezen verschillende combinaties, maar er is altijd één vorm die overheerst.

‘Equality matching’ (het gelijkheidsmodel) is de logica van de gifteconomie die dominant was tijdens het tribale tijdperk. Volgens die logica verwerft de schenker prestige, terwijl de ontvanger zich verplicht voelt om op een of andere manier iets terug te doen, om de gelijkheid in de relatie te bewaren. Tribale culturen beschikken over uitgebreide geritualiseerde en feestelijke mechanismen die georganiseerd zijn rond begrippen van wederkerigheid en symmetrie. De tweede relationele logica is ‘Authority Ranking’ (het autoriteitsmodel). Ze komt overeen met de even belangrijke menselijke behoefte om te vergelijken. De rangorde kan het resultaat zijn van geboorte, geweld, dwang, voordracht door een voorafgaande hiërarchie, referenties en zelfs verdienste. Rangorde volgens autoriteit is de belangrijkste logica van keizerlijke en schatplichtige hiërarchieën (zoals het feodaal systeem) die dominant was in menselijke samenlevingen die dateren voor de komst van het kapitalisme en de parlementaire democratie. De sterken zorgen voor veiligheid en bescherming van de zwakken, die in ruil cijns betalen. Dergelijke maatschappijen steunden op het idee van een levensschuld, van de mens tot de goddelijke orde die ze kracht bij zette, en van de massa levenden tot de vertegenwoordigers van die goddelijke orde die offers eisten om die schuld te vergoeden. Het organisatorisch principe is centralisme (vertegenwoordigd door het koningschap) en herverdeling van de middelen door een hiërarchie. De derde vorm is ‘Market Pricing’ (het marktmodel) gebaseerd op de neutrale uitwisseling van vergelijkbare waarden. Het is de logica van het kapitalistische marktsysteem en de onpersoonlijke verhoudingen waarop het economisch systeem is gebaseerd.

Tot slot is er de logica van ‘Communal Shareholding’ (gelijkwaardigheidmodel) die gebaseerd is op veralgemeende of niet-wederkerige uitwisseling. Bij die vorm van menselijke verhoudingen dragen de leden collectief en vrijwillig bij tot een gemeenschappelijk hulpbron, in ruil voor het vrije gebruik van die hulpbron. Voorbeelden zijn de middeleeuwse commons voor de landbouw, de mutualiteiten van de arbeidersbeweging en het theoretische begrip van het communisme volgens de interpretatie van Marx (dat uiteraard niets te maken heeft met de praktijken van het hiërarchische autoriteitsmodel van regimes die deze term hebben misbruikt). Er bestaat natuurlijk een relatie tussen de organisatorische triarchie en de vierdelige relationele grammatica. Het tribale tijdperk werd gekenmerkt door gedistribueerde netwerken van groepen verwanten die weinig onderlinge banden hadden. De keizerlijke en feodale stelsels hadden een hiërarchische vorm, terwijl kapitalistische maatschappijen hoofdzakelijk gebruikmaken van gedecentraliseerde politieke structuren (het machtsevenwicht van een democratisch bestuur) en concurrentie tussen bedrijven. Daartegenover verschuiven de huidige sociale structuren steeds meer op in de richting van gedistribueerde netwerken die steunen op veelvuldige affiniteiten en wereldwijd met elkaar zijn verbonden.


De opkomst van de peer-to-peer-vorm.

In de huidige historische context nemen onze technologische infrastructuren vaak de vorm aan van een gedistribueerd netwerk zoals het “punt-naar-punt” internet, gekenmerkt door het vermogen tot zelfpublicatie waardoor elke internetgebruiker verschillende soorten content kan produceren en verdelen. De mensheid beschikt nu over een technologie die fundamenteel gekenmerkt wordt door de mogelijkheid tot coördinatie van kleine teams die wereldwijd kunnen samenwerken aan op affiniteit gebaseerde projecten. Bekende voorbeelden zijn de productie van Linux, het alternatieve besturingssysteem voor computers, en Wikipedia, de universele online encyclopedie. Maar de meer dan een miljard mensen die via het internet met elkaar verbonden zijn, zijn actief in tienduizenden soortgelijke projecten die allerhande maatschappelijke waarde voortbrengen. De andersglobalisten drukken een beweging uit die voortspruit uit dergelijke netwerken. Ze kunnen organiseren en mobiliseren op wereldschaal door gebruik te maken van een brede waaier micromedia. Ze hebben geen toegang nodig tot de gedecentraliseerde massamedia.

In de bedrijfswereld neemt het belang van diffuse sociale innovatie toe (innovatie als een opkomend bijproduct van genetwerkte gemeenschappen ter vervanging of aanvulling van intern gefinancierde R&D-departementen van bedrijven). We zien asymmetrische competitie ontstaan tussen verenigingen voor maatschappelijk nut die steunen op gemeenschappen van peer-producenten en traditioneel winstgedreven ondernemingen. Bovendien beginnen bedrijven zich zelf aan te passen door praktijken te gebruiken die voor het eerst werden toegepast door P2P gemeenschappen. Het is hier niet de plaats om die trends in detail te bespreken, dus verwijzen we geïnteresseerde lezers graag door naar de Wiki Encyclopedia op P2PFoundation.Net. Er doet zich vandaag een gelijkaardig proces voor als aan het einde van het Romeinse tijdperk, toen keizerlijke slavenhouders hun slaven bevrijdden en omvormden tot lijfeigenen, of als in de late middeleeuwen toen slimme feodale heren kooplieden en ondernemers ondersteunden.

De relationele dynamiek van peer-to-peer in gedistribueerde netwerken geeft aanleiding tot drie nieuwe processen die respectievelijk een derde manier van productie, Governance en eigendom vertegenwoordigen.

Peer-productie verwijst naar het vermogen om als gemeenschap van peer-producenten gemeenschappelijke waarde te produceren (of om individuele creatieve uitdrukkingen te delen). Vergeet niet dat prijsbepaling, hiërarchie en democratie verschillende middelen zijn om schaarse middelen toe te wijzen. Aangezien peer-productie zich afspeelt in de immateriële wereld van het creëren van content wat wordt gekenmerkt door marginale reproductiekosten, is er geen nood aan prijsbepaling of hiërarchie om die middelen toe te wijzen. Daarom is het een productiewijze die noch wordt aangestuurd door overheidsplanning (zoals in de voormalige ‘socialistische’ systemen die bijna niet meer werken), noch door bedrijfshiërarchieën die winst nasteven. Daarom kunnen we het terecht beschouwen als een derde productiewijze.

Peer Governance verwijst naar de technieken die worden gebruikt voor het oplossen van conflicten en voor het beheer van dergelijke projecten, gekenmerkt door de afwezigheid van een voorafgaande hiërarchie en zonder representatieve onderhandelingen tussen verschillende groepen stakeholders. Aangezien peer-producenten in kleine groepen opereren, maar globaal kunnen schalen en coördineren, is het voor de deelnemers meestal mogelijk om zelf rechtstreeks te beslissen. Aangezien er noch een klassieke hiërarchie bestaat, noch een representatief onderhandelingsproces tussen gedecentraliseerde groepen, kunnen we het ook terecht beschouwen als een derde wijze van Governance.

Peer-eigendom heeft betrekking op de juridische en institutionele vormen die peer-projecten gebruiken om zich sociaal te reproduceren en zich te beschermen tegen private of publieke toe-eigening. Er wordt gebruik gemaakt van collectieve keuzesystemen (rangordes, ratings, algoritmen, enz.) die proberen de kristallisatie te verhinderen van een ‘collectief individu’ dat vanuit de gemeenschap zou oprijzen en de gemeenschap domineren. Er zijn twee belangrijke vormen van gemeenschappelijk eigendom om privatisering te verhinderen. De sharing licenties zoals de Creative Commons laten individuen zelf bepalen in welke mate ze hun creatief materiaal willen delen, terwijl commons licenties zoals de General Public License de verplichting met zich meebrengt om elke verandering terug in de gemeenschappelijke poel te plaatsen. De omloop van de commons is het proces waarin ‘open en vrij’ materiaal gebruikt wordt als input voor een participatief proces van productie en Governance, dat resulteert in een output, gericht is op een commons, die op zijn beurt open en vrij materiaal wordt voor een volgende ronde. Daarom zien we op vrijwel alle maatschappelijke vlakken drie machtige sociale bewegingen ontstaan die de belangen van de opkomende peer-producenten vertegenwoordigen. Die nieuwe bewegingen zijn georganiseerd rond het bevorderen en opeisen van drie principes:

open en vrije bewegingen (Free Software beweging, open yoga, open reki…) participatieve bewegingen (spiritueel georiënteerde peer-kringen) en bewegingen die gericht zijn op de commons.

De peer-to-peer dynamiek beperkt zich niet tot de productie van economische waarde, maar kan worden toegepast op elk vlak van het maatschappelijk leven, met inbegrip de productie van spirituele kennis.


Vooraleer we komen tot dat laatste, willen we eerst de algemene kenmerken overlopen van de nieuwe modus die vrijwel alle premissen van onze industriële beschaving overhoop haalt. We zullen die vervolgens kunnen toepassen op het opdoen van spirituele ervaringen of kennis, en nagaan hoe dit de organisatie ervan beïnvloedt.


Kenmerken van peer-productie in het sociaal en economisch leven

Als we de manier waarop peer-projecten functioneren meer in detail bestuderen, kunnen we heel wat eigenschappen zien die precies het tegenovergestelde zijn van degene die we aantreffen in de traditionele manieren van werken in bedrijven, overheidsinstellingen, maar ook in ngo’s die ontstaan uit het maatschappelijk middenveld. Aan de basis van de werking van peer-projecten ligt het concept van equipotentialiteit, eerder gedefinieerd door Jorge Ferrer. Dat betekent dat we mensen niet rangschikken volgens één criterium en ook niet in hun geheel, maar dat we rekening houden met al hun vaardigheden en capaciteiten, zonder dat we de ene beter zouden vinden dan de andere. In de context van een peer-project beschouwen we potentiële deelnemers als mensen met heel wat vaardigheden en ervaringen, waardoor het veel te complex is om op voorhand te kunnen zeggen wie een bepaalde taak kan uitvoeren. De oplossing bestaat erin een project op te splitsen in zoveel mogelijk modules die elk apart uitvoerbaar zijn, maar niettemin als één project worden gecoördineerd. Deelnemers kunnen dan zelf hun taken kiezen zonder een voorafgaande controle van hun referenties (we noemen dit ‘anti-credentialisme’), waardoor een gedistribueerde productiewijze ontstaat die verschilt van de traditionele arbeidsverdeling. Maar hoe kunnen we de kwaliteit van het werk verzekeren en de prestaties kiezen als de selectie niet langer vooraf gebeurt?

Het antwoord is dat we aan die gedistribueerde productie gedistribueerde controle koppelen. We kunnen dit concept ‘gemeenschappelijke validatie’ noemen. Het verschilt van het proces van ‘peer-review’ (collegiale toetsing) dat nog altijd gebruikmaakt van referenties, en dat we bijvoorbeeld aantreffen bij uitgeverijen van wetenschappelijke geschriften. Bovendien worden peer-projecten gekenmerkt door holoptisme. Dat betekent dat de projecten volkomen transparant zijn, in tegenstelling tot het panoptisme van hiërarchische projecten, waarbij de informatie alleen maar beschikbaar is voor degenen die geacht worden ze te kennen en waarbij enkel de hiërarchische top een volledig overzicht heeft van het project. Daartegenover hebben ‘peers’ zowel verticale (de doelstellingen, de visie) als horizontale (wie doet en deed wat) toegang vanuit hun eigen invalshoek. Elke verandering aan de code van Linux of elk woord dat in Wikipedia wordt veranderd, is beschikbaar ter inzage en verbonden aan de erkende auteur. Dat is een verbazingwekkend aantal “omkeringen” van de traditionele manier waarop taken worden uitgevoerd en het werk wordt georganiseerd in traditionele organisaties. Maar in vergelijking met zijn rivalen blijkt het systeem productiever te zijn op vlak van prestatievermogen, participatiever op vlak van Governance en distributiever op het vlak van eigendom. Zo komen we tot de volgende hoofdkenmerken van de peer-to-peer productiewijze voor de commons: equipotentialiteit, anti-credentialisme, zelfselectie, gemeenschappelijke validatie en holoptisme.

In tegenstelling tot de industriële productiewijze die eigenlijk feodale, hiërarchische organisatiewijzen hanteert en vooral geschikt is voor de productie van economische waarde; en in tegenstelling tot de democratische bestuurswijze, die enkel van toepassing is in de politieke wereld, hebben we hier te maken met een productie- en bestuurswijze die toepasbaar is op elk menselijk vlak, en dit is een radicale stap voorwaarts op het vlak van participatie. Vandaag zijn zelfbesturende gemeenschappen mogelijk, niet alleen voor economische en politieke projecten, maar bijvoorbeeld ook voor de opbouw van collectieve spirituele kennis.


Deel twee: de nieuwe participatieve spiritualiteit of de peer-productie van spirituele kennis.

Nieuwe waardeconstellaties

Alvorens meer concreet in te gaan op hoe we de kenmerken van peer-productie kunnen toepassen op de geestelijke wereld, willen we benadrukken dat een nieuwe peer-to-peer spiritualiteit niet alleen het resultaat is van een of andere nieuwe objectieve manier om dingen aan te pakken (een recente spirituele uitloper van een nieuwe materiële basis), maar zelf het resultaat is van diepgaande veranderingen in het menselijk bewustzijn, waarvan sommigen al hebben plaatsgevonden, anderen nog altijd bezig zijn, maar allemaal een invloed uitoefenen op heel wat mensen. Sommige van die veranderingen vonden plaats voor de opkomst van de nieuwe peer-to-peer logica, anderen zijn een gevolg van de opkomst van P2P en nog anderen het resultaat van het permanent gebruik van P2P-tools die zoals elk instrument onvermijdelijk de vorm van het menselijk bewustzijn op bepaalde manieren verandert,. Algemeen gesproken, kunnen we zeggen dat peer-to-peer de uitloper is van diepgaande veranderingen in ontologie (manieren van zijn), epistemologie (manieren van weten) en axiologie (waardeconstellaties).

Op het vlak van ontologie is er een diepgaande verandering wat betreft de visie op de mens, voorbereid door een hele reeks hedendaagse denkers. In een notendop: ondanks de huidige overheersing van neoliberale ideeën in de wereld van de politiek en economie, wordt het oude idee dat aan de basis ligt van de kapitalistische samenleving en de liberale democratische orde fundamenteel in vraag gesteld. Het concept dat we allemaal aparte individuen zijn die moeten gesocialiseerd worden via instellingen en die handelen uit eigenbelang, wordt vervangen door opvattingen die de verbondenheid van mensen benadrukken. We zijn altijd verbonden met ‘peers’, en het is ook de manier waarop we onze relaties met instellingen onderhouden. Vandaag is het niet langer een kwestie van instellingen en ondernemingen die communiceren met een massa individuen en/of die hun activiteiten regelen. Het is gedeeltelijk een verandering van bewustzijn, maar ook het gevolg dat we nu beschikken over een communicatietechnologie die ons met elkaar verbindt. De jaarlijkse vertrouwensbarometer van de PR-firma Edelman toont een dramatische verschuiving aan van vertrouwen in instituties naar vertrouwen in “mensen zoals ik”, met andere woorden: ‘peers’.

Die nieuwe visie op verbondenheid leidt niet tot een veralgemeend altruïsme, maar tot de opvatting dat we sociale systemen zodanig moeten ontwerpen dat het eigenbelang en het algemeen belang samenvallen. Dit principe wordt op zijn beurt ingebed in de nieuwe generatie sociale software en sociale netwerken. Coöperatief individualisme lijkt me een treffende beschrijving van die nieuwe mentaliteit die alomtegenwoordig is onder de laatste generatie jonge volwassenen, de zogenaamde ‘digitale autochtonen’ of de millenniageneratie (degenen die 20 werden in jaar 2000 en daarna). Het is de generatie die opgroeide met het internet en collectieve gaming en voor wie sharing een standaardgedrag is, zoals beschreven in het recente Nederlandstalige boek ‘Generatie Einstein’.

Wat de epistemologie betreft, hebben postmoderne filosofen de concepten over een objectief, materieel universum die we vanuit één objectief kader of perspectief kunnen begrijpen, systematisch ondermijnd (maar zelfs daarvoor wees Marx al op vervormingen door het sociaal onbewuste, terwijl Freud opmerkte dat we door het persoonlijke onbewuste geen meester waren over ons eigen huis). Ze stelden dat er geen absoluut kader bestaat, enkel elementen in een systeem die slechts in relatie tot elkaar definieerbaar zijn. De hiërarchische kaartencatalogus, die impliceert dat er maar een manier bestaat om de wereld te begrijpen (de hiërarchische boom der kennis), ruimde eerst plaats voor gedecentraliseerde databases die we aan de hand van verschillende ‘facetten’ kunnen raadplegen, en vandaag voor de volledig gedistribueerde folksonomie- en taggingsystemen.

In die nieuwe gedistribueerde kennissystemen kadert ieder individu zijn eigen wereld. Maar hij heeft ook toegang tot de manier waarop andere individuen dezelfde en andere kennisobjecten hebben gekaderd, en alle andere objecten in hun eigen toegankelijke taggingsystemen. Onafhankelijke onderzoekers en wetenschappers hebben nu inzage in elkanders gedachten en kaders. Daardoor is er niet één manier om de werkelijkheid te interpreteren, want er bestaan nu een oneindig aantal singuliere wereldbeelden. De waarheid wordt dan een kwestie van kennismaken met anderen en hun wereldbeelden, en die te integreren en uit te wisselen, zodat we kunnen kijken naar de wereld en haar subjecten en objecten vanuit een breed gamma standpunten die elk op hun manier hun licht werpen op de realiteit. Via dialoog kunnen we de confrontatie aangaan met spanningen en paradoxen die hieruit voortvloeien. Uiteraard kunnen bepaalde disciplines zoals natuurwetenschappen nog altijd traditionele methodes gebruiken, maar mensenwetenschappen en sociale wetenschappen staan zeker onder de invloed van die nieuwe attitudes die bepalend zijn voor de manier waarop veel individuen vandaag de wereld begrijpen.

Op het vlak van axiologie of nieuwe waardesystemen heb ik reeds de opkomst beschreven van het nieuwe coöperatieve individualisme. Maar de wereld van peer-productie en –Governance geeft zelf aanleiding tot nieuwe soorten sociale bewegingen die aansluiten bij drie verschillende maar onderling verbonden paradigma’s, die tevens waardesystemen zijn. Het open en vrije paradigma dat bepaalt dat we menselijke kennis vrij kunnen delen en veranderen; het participatief paradigma dat bepaalt dat er zoveel mogelijk bijdragers, elk naargelang de eigen mogelijkheden, kunnen deelnemen; en het op de commons gerichte paradigma dat directe gebruikswaarde wil produceren (geen ruilwaarde) waarbij het resultaat door iedereen kan worden gedeeld. Het is moeilijk te zeggen hoeveel mensen het volledige gamma van die nieuwe waarden delen, maar hun aantal neemt in elk geval toe, en het aantal initiatieven dat we op die manier kunnen catalogeren, neemt vrijwel exponentieel toe.

Noteer hoe die nieuwe waarden en bewegingen overeenkomen met de reproductiecyclus van het nieuwe sociale systeem van peer-productie, -Governance en -eigendom. Er is namelijk geen peer-productie mogelijk als er geen open en vrije middelen om mee te werken (de inputzijde) beschikbaar zijn. Die middelen worden participatief ingezet (proceszijde), en instellingen en juridische vormen die gericht zijn op de commons beschermen het resultaat van het gemeenschappelijk werk (de outputzijde). De outputzijde creëert nieuw en vrij materiaal dat we kunnen gebruiken om de cyclus in stand te houden.


Algemene kenmerken van participatieve spiritualiteit

Wat betekent dit allemaal voor de opkomst van nieuwe vormen van spiritualiteit, zowel in termen van persoonlijke ondervinding als nieuwe sociale vormen voor de organisatie van het geestelijk leven?

Wat het betekent voor de evolutie van het menselijk bewustzijn, wordt hier zeer goed weergegeven:

“Er is overweldigend bewijs dat de evolutie van het bewustzijn voortschrijdt, vertrekkend vanuit een gemeenschapsleven waarbij het individu volledig was ingebed in de levenspatronen van de gemeenschap, gevolgd door een geleidelijk en vaak pijnlijk proces van individualisering waarbij de nadruk kwam te liggen op de wil en soevereiniteit van het individu, om te komen tot de huidige ontwikkeling, namelijk een bewuste terugkeer naar collectivisme, waarbij geïndividualiseerde of zelfgeactualiseerde individuen vrijwillig en tijdelijk hun bewustzijn bundelen in een zoektocht naar ongrijpbare collectieve intelligentie die ons kan helpen bij het oplossen van de gigantische problemen waarmee we vandaag als menselijke soort worden geconfronteerd ten gevolge van de manier waarop ons ontwikkelingstraject zich op materieel vlak tot nu toe heeft gemanifesteerd. (…) De menselijke ontwikkeling heeft dus te maken met het ontwaken van het menselijk bewustzijn, eerst van zichzelf, dan van zijn eigen evolutie en van herkenning, om uit te monden in een belichaamde ervaring van de manier waarop we organisch deel uitmaken van een groter geheel. Nu het nieuwe stadium van een individueel/collectief ontwaken aanbreekt, beginnen individuen zich steeds meer geroepen te voelen om die nieuwe levensvorm te beoefenen die is samengesteld uit groepen geïndividualiseerde individuen die hun collectieve intelligentie bundelen.”

Laten we snel de veranderingen overlopen die voortvloeien uit de veranderende ontologische, epistemologische en axiologische positionering, vervolgens de principes van peer-productie die we hierboven beschreven, en nagaan hoe we ze kunnen toepassen op de productie van spirituele kennis.

Als we de nieuwe ontologische en epistemologische overtuigingen aanvaarden dat er geen absolute referentiepunten of kaders bestaan, geen objectieve werkelijkheid op zich, kunnen we dan nog altijd vaste kosmologieën en religies accepteren? Als we aanvaarden dat kennis een kwestie van co-creatie is met andere mensen die er verschillende kaders op nahouden, en dat de benadering van de waarheid een kwestie is van confrontatie van die verschillende kaders en hoe ze op verschillende manieren licht werpen op de realiteit, kunnen we dan nog altijd vaste methodologieën en paden accepteren die leiden naar onvermijdelijke conclusies over de waarheid? Of zouden we een samen gecreëerde waarheid verwachten met een open einde? Indien we willen handelen en leven volgens het peer-principe van de gelijkwaardigheid van alle mensen, kunnen we dan de diepgewortelde rangorde accepteren die een essentieel onderdeel is van traditionele benaderingen van religie? De antwoorden zitten in die vragen verscholen, en het antwoord luidt dat de soorten spiritualiteit die we nastreven naar alle waarschijnlijkheid open, vrije, participatieve en op de commons gerichte aspecten zullen hebben, die P2P-vormen van bewustzijn willen zien verschijnen in de wereld.

Het is onwaarschijnlijk dat een open en vrije aanpak van spiritualiteit toegeëigende benaderingen van spirituele kennis zou accepteren. Code en teksten zouden vrij moeten toegankelijk en zelfs aanpasbaar zijn. Het zou daarbij onaanvaardbaar zijn dat spirituele teksten door auteursrechten worden beschermd, of onverkrijgbaar zouden zijn. De wegen naar spirituele ervaringen zouden niet mogen verborgen zijn, maar publiek beschikbaar. Methodieken zouden vrij beschikbaar moeten zijn voor proeven en experimenten.

Een participatieve benadering zou betekenen dat iedereen wordt uitgenodigd om deel te nemen aan het spiritueel onderzoek, zonder selectie vooraf en dat de participatiedrempel zo laag mogelijk wordt gehouden. Gepaste methodieken zouden beschikbaar zijn voor verschillende niveaus van ervaring.

Een benadering die gericht is op de commons zou leiden tot de co-creatie van kennis, beschikbaar in een gemeenschappelijk poel waardoor anderen er op verder kunnen bouwen. Laten we nu snel onderzoeken hoe de concrete principes van de hoger beschreven peer-productie van toepassing kunnen zijn op de productie van spirituele kennis. We brachten ter herinnering de volgende principes naar voor: equipotentialiteit, zelfselectie, gemeenschappelijke validatie en holoptisme.

Equipotentialiteit wil zeggen dat we een persoon niet mogen beoordelen volgens een vermeende essentiële eigenschap, bijvoorbeeld in de hoedanigheid van een spirituele meester of een verlichte persoon, maar als een brede mix van vaardigheden en capaciteiten, waarbij geen enkele eigenschap die persoon optilt naar een hogere menselijke status. Elk sociaal systeem zou er moeten op gericht zijn het beste te halen uit elk individu, zodat hij zijn vaardigheden en passies kan aanwenden voor een taak naar eigen keuze. Een mogelijke interpretatie van dit principe is dat verlichting of spiritueel meesterschap niet meer is dan een bepaalde vaardigheid, een bepaalde bewustzijnstechniek. Een belangrijke eigenschap die respect verdient en waar anderen van kunnen leren.

Maar net als elke grote atleet of kunstenaar niet noodzakelijk een betere mens is, is een spirituele meester dat evenmin, zoals de geschiedenis van de laatste decennia uitgebreid heeft aangetoond. Verder moet de begeleiding door een dergelijke meester specifiek zijn, een uitnodiging tot praktijk en ervaring, een getuigenis van zijn kant, maar hij mag nooit een vaste autoriteit uitoefenen op het leven van zijn volgelingen. Individuen zijn vrij om zijn leidraad te volgen, maar het individu en de gemeenschappen blijven verantwoordelijk voor het bouwen van een collectieve spirituele vrijheid zonder een pad te moeten volgen dat op voorhand vastligt. Het logisch gevolg van zelfselectie en gemeenschappelijke validatie is ook duidelijk. Geen enkel spiritueel pad kan worden opgelegd; het individu kiest vrij de specifieke richtlijnen die hij wil volgen of waarmee hij wil experimenteren. Individuen of gemeenschappen zijn evenmin gebonden aan een bepaalde traditie, hoewel ze nog altijd kunnen kiezen voor een dergelijk bijzonder kader.

In een geglobaliseerde context waar men zich bewust is van de verschillende beschikbare kaders, kan de zoektocht naar spirituele waarheid aspecten bevatten van contribuerende spiritualiteit. Het individu, geïnformeerd over de specifieke kaders, kan dan kiezen uit een brede variëteit psychotechnologieën en bij die zoektocht een combinatie vinden van praktijken en inzichten die het best passen bij zijn noden en vaardigheden. Zoals Jorge Ferrer eerder aantoonde, bestaat er geen enkelvoudig pad en ook geen meervoudige paden naar een gelijkaardig doel of verwezenlijking, maar het doel is zelf de vrucht van co-creatie door onderzoekers en hun gemeenschappen. Het ziet ernaar uit dat het in de laatste decennia precies op die manier is dat individuen hun zoektocht hebben ondernomen, in het bijzonder de zogenaamde ‘culturele creatievelingen’ zoals socioloog Paul Ray hen noemt. Eigenlijk lijkt dit de natuurlijke manier te zijn die mensen kiezen bij de benadering van hun spiritueel leven wanneer ze niet onder dwang staan. Het principe van gemeenschappelijke validatie wil zeggen dat mensen zich kunnen verenigen in groepen of peer-cirkels en gemeenschappelijk beslissingen nemen over bepaalde verkenningstochten, en hun ervaringen delen.

Tot slot suggereert holoptisme een nieuwe openheid op het vlak van inhoud, praktijken en ook doelstellingen van de verschillende systemen. Esoterie betekent niet langer geheimhouding of onbeschikbaarheid, maar alleen verschillende equipotentiële capaciteiten om bepaalde niveaus van ervaring en vaardigheid te bereiken. Opnieuw lijkt dit niet vergezocht aangezien het meeste esoterische materiaal vandaag beschikbaar is in gedrukte versie of online.


Theoretische ontwikkelingen: de participatieve en relationele benderingen van spiritualiteit door Jorge Ferrer en John Heron

John Heron pleit zeer sterk voor een relationele benadering van spiritualiteit, waarbij hij acht kenmerken bepaalt:

“Spiritualiteit van personen ontwikkelt en onthult zich vooral via hun relaties met andere personen. Als je spiritualiteit in de eerste plaats beschouwt als de vrucht van individuele praktijken zoals meditatie, kan je komen tot de grote anomalie van een ‘spirituele’ persoon die een intermenselijke onderdrukker is en ‘spirituele’ tradities die de neiging hebben om te onderdrukken. Als je spiritualiteit in de eerste plaats opvat als bevrijdende intermenselijke verhoudingen, opent zich een nieuw tijdperk van participatieve religie, dat een radicale herstructurering en herwaardering vereist van traditionele spirituele kaarten en routes. Uiteraard bestaan er belangrijke individualistische manieren om zich te ontwikkelen die niet noodzakelijk de betrokkenheid vereist van andere personen, zoals contemplatieve competentie en fysieke fitness. Maar die zijn secondair, ondersteunen andere die het wel doen en worden versterkt door gezamenlijk onderzoek.

“Binnen die globale visie bevindt spiritualiteit zich in het intermenselijke hart van de menselijke conditie, waar mensen samenwerken bij het verkennen van zingeving, relaties bouwen en creativiteit aan de dag leggen door een actief gemeenschappelijk onderzoek naar veelzijdige integratie en volbrenging.”

Onder de kenmerken van dergelijke relationele spiritualiteit schetst Heron hoezeer ze verbonden zijn aan peer-to-peer-vormen zoals we eerder beschreven:

“(5) Het is gericht op zinvolle praktische doelstellingen die een bloeiend humanitair en ecologisch systeem bevorderen; dat betekent dat het geworteld is in een uitgebreide leer van rechten in verband met sociale en ecologische bevrijding.”

“(6) Het bevat peer-to-peer, participatieve vormen van besluitvorming. Vooral dat laatste kunnen we beschouwen als de kerndiscipline van relationele spiritualiteit, die een groot deel van het geprivatiseerde ego vernietigt. Participatieve besluitvorming heeft betrekking op de integratie van autonomie (zelf beslissen), samenwerking (beslissen met anderen) en hiërarchie (beslissen voor anderen). Omdat dit de basis vormt van relationele spiritualiteit kom ik er later op terug.”

“(7) Het brengt hulde aan de geleidelijke opkomst en ontwikkeling van peer-to-peer-vormen van vereniging en praktijk in alle facetten van het leven; in de industrie, in kennisontwikkeling, in religie en nog veel meer.”

“(8) Het bevestigt de rol van zowel de inleiding van een hiërarchie als een spontaan opkomende en roterende hiërarchie onder ‘peers’.”

Heron ontkent de individuele aspecten van spiritualiteit niet, maar benadrukt dat ze secundair zijn ten opzichte van de eerste, relationele uitdrukking ervan.

De acht eigenschappen van Heron verdienen verdere ontwikkeling aangezien ze de relatie tussen autonomie, hiërarchie en samenwerking preciezer bepalen:

“De levende geest manifesteert zich als een dynamische interactie tussen autonomie, hiërarchie en samenwerking. Ze ontstaat via autonome mensen die hun eigen idiosyncratische noden en belangen kunnen identificeren, die ook hiërarchisch kunnen nadenken over welke waarden de echte noden en belangen van de hele gemeenschap bevorderen, en die kunnen samenwerken met hun peers –door te luisteren, zich in te zetten en te onderhandelen om tot gezamenlijke akkoorden te komen- met respect voor diversiteit en verschillen als onderdeel van een ware eenheid.”

Hiërarchie is hier de creatieve leiding die probeert de waarden van autonomie en samenwerking in een peer-to-peer vereniging te bevorderen. Net als in de vrije softwarebeweging die we eerder hebben besproken wordt een dergelijke leiding op twee manieren uitgeoefend. Ten eerste door een of meer mensen die het initiatief hebben genomen om een dergelijke vereniging op te richten. En ten tweede -eens de vereniging is opgericht en functioneert- als een spontaan roterende leiding van ‘peers’, wanneer iemand initiatieven neemt om de autonomie en samenwerking van de andere deelnemers te verbeteren.”

Het baanbrekende boek van Jorge Ferrer, “Revisioning Transpersonal Psychology” is het klassieke standaardwerk dat een participatieve visie op spiritualiteit vanuit de transpersoonlijke psychologische traditie herformuleert. In het eerste deel deconstrueert Ferrer de niet-relationele basis van de transpersoonlijke psychologie, terwijl hij in het tweede deel een nieuwe visie op participatie probeert te reconstrueren. Hij benadrukt echter niet de relationele aspecten van participatieve spiritualiteit in zijn boek. Het belang van relationeel spiritueel werk komt wel meer aan bod in zijn latere geschriften die meer praktische en minder filosofische aspecten behandelen. In voordrachten en conferenties introduceerde Ferrer het begrip participatieve spiritualiteit in termen van drie vormen van co-creatie:

intermenselijke co-creatie die betrekking heeft op de verschillende menselijke dimensies die creatief samenwerken als een team; intermenselijke samenwerking die betrekking heeft op mensen die solidair en met wederzijds respect samenwerken als ‘peers’ en transpersoonlijke samenwerking van zowel de menselijke dimensies als van mensen die samenwerken in interactie met het Mysterie bij de co-creatie van spirituele inzichten, praktijken, uitgebreide vormen van bevrijding en spirituele werelden.

Merk opnieuw de congruentie op tussen de argumenten van Heron en het tweede aspect van co-creatie van Ferrer. J. Kripal heeft de belangrijke politieke implicaties van de invloedrijke ideeën van Ferrer opgemerkt:

“Ferrers participatieve visie en zijn verschuiving van subjectieve ‘ervaring’ naar procesmatige ‘gebeurtenis’ heeft een aantal vrij radicale politieke implicaties. In zijn visie wordt een traditionele hiërarchische monarchie (de ‘heerschappij van Een’ via de ‘grote keten van het Zijn) die de echte waarheid plaatst in het feodaal verleden (of op zijn minst toch in een hedendaagse hiërarchische cultuur) opgevolgd door een vrij radicale participatieve democratie waarin de Ware zich niet onthult als de Grote Man, de Perfecte Heilige of God de Koning (of de perennialistische Schriftgeleerde), maar in radicale relatie en het heilige heden. Bijgevolg gaat het religieuze leven niet om een terugkeer naar een of andere gouden tijdperk van (Heilige) Geschriften of een metafysische absolute (waarheid); het om het samen creëren van nieuwe revelaties in het heden, uiteraard altijd in een kritische interactie met het verleden. Een dergelijke praktijk is dynamisch, onzeker, en toch hoopvol – een ‘tikkoen-achtige’, theürgische genezing van de wereld en van God.”

Ik zal nu extensief citeren uit een kritiek van J. Kripal op Ferrer in Tikkun magazine, omdat hij het principe van equipotentialiteit bevestigt, ook al gebruikt hij andere concepten. Dit principe bevestigt dat mystieke vaardigheden niet meer zijn dan een reeks capaciteiten naast andere. Ze positioneren de betrokken persoon niet als iemand die boven de anderen staat en spirituele vaardigheden verschillen van andere, zoals ethische.

Laten we even kijken naar wat J. Kripal hierover te zeggen heeft:

“Ferrer (…)beoordeelt de traditionele ethische status uiteindelijk zeer positief, waarbij hij in feite suggereert dat religies succesvoller waren in het vinden van gemeenschappelijke morele gronden dan doctrinaire of metafysische akkoorden, en dat de meeste tradities hebben opgeroepen (indien het nooit getrouw of volledig werd aangenomen) voor een transcendent of dualistisch egocentrisme of narcisme. Op dat punt wordt ik wantrouwig. Hoewel Ferrer zelf op een verfrissende manier die bijzondere logica niet volgt (het is eigenlijk meer retoriek), is het vrij eenvoudig en gebruikelijk om in transpersoonlijke literatuur te pleiten voor de essentieel morele aard van mystieke ervaring, door heel voorzichtig te zijn over wie men wil bedenken met de (vrij moderne) titel ‘mysticus’.

“Het is natuurlijk een complete cirkelredenering: men verklaart (omdat men gelooft) dat mysticisme moreel is, en plukt dan uit een lijst van letterlijk tienduizenden (miljoenen?) mogelijke geregistreerde gevallen enkele of misschien een paar dozijn voorbeelden die toevallig binnen de eigen morele standaard vallen (of beter nog, waarvan de historische beschrijving vaag genoeg is om elk mogelijk bewijs te verbergen die deze standaarden zou kunnen weerleggen). En voilà, men heeft ‘bewezen’ dat mysticisme inderdaad moreel is. Elk charismatisch figuur of heilige die de normen van iemand schendt –en er staat altijd wel een zeer grote, luid schreeuwende menigte klaar - wordt simpelweg bestempeld als ‘niet echt een mysticus’ of uit alle gemak helemaal genegeerd. Anders gesteld, het is de geconstrueerde categorie ‘mysticisme’ zelf die onderling een ‘moreel mysticisme’ construeert, niet het historisch bewijs dat altijd en overal oneindig meer ambivalent is.

“Ferrer ziet er meestal dwars door, zoals op bepaalde momenten blijkt, bijvoorbeeld bij zijn gedachte-experiment met de retraite van Theravada. Hij weet perfect dat perennialisme gewoonweg niet klopt met de historische gegevens. Maar wat hij misschien minder duidelijk ziet, is dat er een moreel perennialisme langs de achterdeur van zijn eigen conclusies binnensluipt. Terwijl hij dus terecht al het gepraat over een ‘gemeenschappelijke kern’ verwerpt, kan hij niettemin spreken over een gemeenschappelijke ‘Oceaan van Emancipatie’, waarbij alle contemplatieve tradities worden benaderd van hun verschillende ontologische oevers.” Kripal besluit hieruit het volgende:

“Ferrer beweert dat we moeten beseffen dat ons doel nooit alleen maar het herstel of de reproductie van een of ander vroegere zin voor het heilige kan zijn, aangezien ‘we niet kunnen ontkennen dat de meeste religieuze tradities nog altijd worden gekenmerkt door intolerante exclusieve en absolutistische tendensen, evenals patriarchaat, autoritarisme, dogmatisme, conservatisme, transcendentalisme, ontkenning van het lichaam, seksuele onderdrukking en hiërarchische instellingen’. Eenvoudig gesteld, de contemplatieve tradities van het verleden hebben al te vaak gefunctioneerd als uitgewerkte en geheiligde technieken om het bewustzijn te dissociëren.”

“Eens te meer denk ik dat we ons precies moeten bevinden op een punt waar de ethiek voorrang geniet op de mystiek en de nadruk op de menselijke volledigheid als menselijke heiligheid. Ik wil alleen maar het standpunt van Ferrer verder radicaliseren door erop te wijzen hoe hermeneutisch het wel is, hoe het functioneert als een creatieve herziening en hervorming van het verleden, in plaats van een simpele reproductie van of een fundamentalistische fantasie over een of ander niet-bestaand gouden tijdperk. Anders gezegd: naar mijn mening bestaat er in de geschiedenis van religies geen gedeelde Oceaan van Emancipatie. Vanuit veel van onze huidige standpunten zijn de wateren uit het verleden inderdaad nauwelijks drinkbaar, net als de manier waarop de meeste contemplatieve tradities begrippen zoals ‘emancipatie’ en ‘redding’ interpreteren helemaal niet hetzelfde is als wat we vandaag met die termen bedoelen. Het is immers beangstigend eenvoudig om zich “vrij te maken van de wereld” of om een te worden met een godheid of het ontologische absolute en alle zeer onrechtvaardige sociale structuren en praktijken (racisme, ongelijkheid van de seksen, homofobie, religieuze kwezelarij, kolonialisme, verdeling volgens kasten en klassen, milieuvervuiling, enz.) onaangeroerd achter zich te laten.”

Bij die belangrijke kritiek van Kripal zou ik een belangrijk besluit willen toevoegen: dat de verschuiving naar relationele en participatieve spiritualiteit noodzakelijkerwijze ook een “negatief” moment heeft, namelijk een kritische fase tegen alle mogelijke vormen van spiritueel autoritarisme.

De “theoretische” evolutie naar relationele en participatieve vormen van spiritualiteit is niet blijven stilstaan. In een beknopt essay gepubliceerd op het internet beschrijft Bruce Alderman de nieuwe trend naar het verkennen van de intersubjectiviteit zelf, zowel via persoonlijke als inter-persoonlijke vormen van onderzoek. In zijn twee boeken beschrijft het werk van Christian De Quincey (Radical Nature, and Radical Knowing); het diep mystieke intersubjectieve werk van Beatrice Butreau; en de radicale aard van het onderzoek op basisi van de TSK benadering van Tartangh Tulku.


De ontdekking van “Wij”: het primaat van relationaliteit en het collectief terrein

In dit deel willen we de verhouding onderzoeken tussen ontwikkelingen in de spirituele theorie en praktijk, en de meer algemene verschuiving in filosofische en sociologische visies op de mens als intersubjectief wezen. Vervolgens kijken we naar enkele preciezere ontwikkelingen naar intersubjectieve praktijken.

De moderne kijk op individualiteit, gebaseerd op een autonoom zelf in een maatschappij die hij zelf creëert aan de hand van het sociaal contract, is in de postmoderniteit aan het veranderen. Gilbert Simondon, een Frans technologiefilosoof met een belangrijke postuum gevolg in het Franssprekende deel van de wereld, beweerde dat een typisch aspect van de moderniteit het “onttrekken van de individuele dimensie” is aan elk aspect van de realiteit, van dingen/processen die ook altijd al met elkaar zijn verbonden. En, zo stelde hij, om het denken te hernieuwen, is geen terugkeer naar het premoderne holisme nodig maar een systematisch voortbouwen op de stelling dat “alles met elkaar verbonden is”, waarbij de verwezenlijkingen van het moderne denken -de even belangrijke centrale rol van de individualiteit- echter behouden blijft.

Individualiteit wordt dan gezien als een samenstelling van en uit relaties.

De stelling waarbij het individu wordt beschouwd als een voortdurend deel van verschillende sociale terreinen of als een enkelvoudig samengesteld wezen dat niet langer nood heeft aan socialisering, maar eerder aan individualisering, lijkt een van de belangrijkste verwezenlijkingen van wat we het “postmodernistisch denken” kunnen noemen. Atomisch individualisme wordt verworpen ten voordele van de visie van een relationeel zelf, een nieuw evenwicht tussen individuele keuzevrijheid en collectieve gemeenschapsvorming.

Volgens mij is het noodzakelijk om een derde stap te nemen als noodzakelijk onderdeel en verdere ontwikkeling van het postmodernistisch denken, namelijk om ons niet tevreden te stellen met de erkenning van de individualiteit en haar basis in de relationaliteit, om ook van de mate van het collectief, het terrein waarop de relaties zich voordoen.

Als we alleen maar relaties zien, vergeten we het geheel, namelijk de maatschappij zelf (en haar onderdelen). De maatschappij is meer dan alleen maar de som van haar “relationele delen’. De samenleving bepaalt een ‘protocol’ waarbinnen die relaties zich voordoen, vormt de agenten in hun subjectiviteit, en bestaat uit normen die bepaalde soorten relaties mogelijk of onmogelijk maken. We hebben bijgevolg agenten, relaties en terreinen. Als we ten slotte het subjectieve element van de menselijke intentionaliteit willen integreren, is het nodig om nog een vierde element toe te voegen: het voorwerp van de sociabiliteit.

Menselijke agenten “verhouden” zich inderdaad niet in het abstracte, maar altijd op een concrete manier rond een objectief. Een zwerm insecten schijnt een dergelijk doel te missen en ontvangt alleen maar instructies en signalen zonder het geheel te zien, in tegenstelling tot zoogdieren. Een roedel wolven verzamelt zich bijvoorbeeld rond het object van de prooi. Het object activeert de relaties en zet aan tot actie. Mensen kunnen meer abstracte doelen hebben die zich bevinden in een tijdelijke toekomst, als voorwerp van verlangen. We realiseren dit doel in onze geest en schieten in actie om ze individueel en collectief te verwezenlijken. P2P-projecten organiseren zich rond een dergelijk gemeenschappelijk project. Mijn peer-to-peer theorie is een poging om een object te creëren dat sociale en politieke verandering kan inspireren.

Samengevat: voor een totaaloverzicht van het collectief is het vandaag de gewoonte een onderscheid te maken tussen

  • de totaliteit van de relaties;
  • het terrein waarop die relaties zich afspelen, tot op het macroniveau van de samenleving zelf die een ‘protocol’ uitvaardigt van wat kan en wat niet kan;
  • het voorwerp van de relatie (“doelgerichte socialiteit”), dat betekent een vooraf bepaald ideaal dat gemeenschappelijke actie inspireert.

Om te besluiten, vertegenwoordigt die verschuiving naar het collectieve dat wordt vertegenwoordigd door de opkomst van peer-to-peer op geen enkele manier een verlies van individualiteit of zelfs van individualisme. Maar het “overschrijdt en omvat” individualisme en collectivisme in een nieuwe eenheid die ik graag “coöperatief individualisme” zou noemen. Het samenwerkingsaspect is niet noodzakelijkerwijze intentioneel (het resultaat van een bewust altruïsme), maar maakt deel uit van ons zijn, en de beste toepassingen van P2P zijn gebaseerd op dat idee. In analogie met de theorie van de onzichtbare hand van Adam Smith, maken de best ontworpen collaboratieve systemen gebruik van het eigenbelang van de participanten en zetten dit om in een collectief voordeel.

Die erkenning zou helpen bij het onderscheid tussen transformatieve P2P-concepten en regressieve interpretaties die terugblikken op premoderne gemeenschappen. Ik vind dit onderscheid goed beschreven door Charlene Spretnak die wordt geciteerd door John Heron in een debat over de opvatting van het “inclusieve zelf” met Ted Lumley van Goodshare.org: “De ecologische/kosmologische betekenis van uniekheid, gekoppeld aan intersubjectiviteit en “onderling zijn” (…) Men kan enkel accuraat spreken over de ‘autonomie’ van een individu als we rekening houden met een zin voor het dynamisch web van relaties die voor dat wezen bepalend zijn op een gegeven moment.”

In elk geval verschuift het evenwicht terug in de richting van het collectief. Maar als de nieuwe collectieve vormen individualiteit en individualisme erkennen, zijn ze niet enkel individualistisch van nature, wat betekent dat ze geen collectieve individuen zijn, maar dat het nieuwe collectief zich uitdrukt in de schepping van de commons. Het collectief is niet langer de plaatselijke ‘holistische’ en ‘onderdrukkende’ gemeenschap, en ook niet langer de contractueel gebaseerde samenleving met haar instellingen die nu als onderdrukkend wordt ervaren. De nieuwe commons is geen verenigd en transcendent collectief individu, maar een verzameling van een groot aantal singuliere projecten die een veelheid vormen.

Die hele verandering in ontologie en epistemologie op het vlak van voelen en zijn, van het kennen en begrijpen van de wereld, werd voorafgebeeld door sociale wetenschappers en filosofen, maar ook in de exacte wetenschappen zoals fysica en biologie. Een belangrijke verandering was de omverwerping van de Cartesische splitsing tussen subject en object. Het “individuele zelf” kijkt niet langer naar de wereld als een object. Sinds de postmoderniteit bepaalde dat het individu is samengesteld en doorkruist wordt door een hele reeks sociale vlakken (van macht, het onbewuste, klassenverhoudingen, geslacht, enz.) en hij/zij zich daarvan bewust is geworden, wordt het subject nu gezien (na zijn dood als “essentie” en een historische constructie was aangekondigd door Foucault) als een eeuwigdurend proces van wording (“subjectivering”). Zijn weten is nu subjectief-objectief en de opbouw van de waarheid veranderde van een objectief en enkelvoudig perspectief naar een veelvoudig perspectief.

Het individu opereert niet in een dode ruimte van objecten, maar in een netwerk van stromen. Ruimte wordt dynamisch en voortdurend samen gecreëerd door de handelingen van individuen en in peer-to-peer-processen, waar de digitale noösfeer een buitengewoon medium is om signalen op te wekken die afkomstig zijn van die dynamische ruimte. De individuen in peer-groepen die aldus geen ‘transcendente’ collectieve individuen zijn, passen hun gedrag voortdurend aan. Peer-to-peer is dus van bij het begin globaal. Dit aspect zit ingebakken in haar praktijk. Het is geen uitdrukking van globalisering, het wereldwijde systeem van overheersing, maar van globaliteit, de groeiende onderlinge verbondenheid van menselijke relaties. We kunnen peer-to-peer beschouwen als een nieuwe vorm van sociale uitwisseling die haar equivalente vorm van subjectivering creëert en zelf de nieuwe vormen van subjectivering weerspiegelt. P2P die we hier interpreteren als een positieve en normatieve ethos die impliciet vervat zit in de logica van haar praktijk, brengt –ook al verwerpt ze de ideologie van het individualisme- op geen enkele manier de verwezenlijkingen van het moderne individu in gevaar met betrekking tot de wil en het bereiken van persoonlijke autonomie, authenticiteit, enzovoort. Het is geen transcendente macht die opoffering van het Zelf eist: het is volledig immanent; participanten geven niets op en in tegenstelling tot de contractuele visie die hoe dan ook fictief is, is deelname volledig vrijwillig. Het weerspiegelt bijgevolg een ethische uitdrukking: de wil om te creëren en te delen, om iets nuttigs te produceren. Het individu dat een P2P-project vervoegt, zet zijn zuivere wezen ten dienste van de bouw van een gemeenschappelijke bron. Daarin zit niet alleen impliciet een bezorgdheid voor de enge groep in vervat, niet alleen maar intersubjectieve relaties, maar ook het hele sociale terrein er rond.


Hoe functioneert een succesvol P2P-project op het vlak van de verzoening van het individu met het collectief?

Stel je een succesvolle ontmoeting van geesten voor: individuele ideeën worden met elkaar geconfronteerd, maar veranderen ook tijdens het proces door de vrije associatie die voortspruit uit de ontmoeting met andere intellecten. Aldus ontstaat uiteindelijk een gemeenschappelijk idee dat de verschillen heeft geïntegreerd maar niet ondergeschikt heeft gemaakt. De deelnemers hebben niet het gevoel dat ze toegevingen moesten doen of compromissen moesten afsluiten, maar dat de nieuwe gemeenschappelijke integratie steunt op hun ideeën. Er was geen minderheid die zich moest onderwerpen aan een meerderheid. Er was geen “vertegenwoordiging” of verlies van verschillen. Dat is het ware proces van peer-to-peer.

Het opgeven van het verenigende universalisme van de Verlichting vertegenwoordigt een belangrijke filosofische verandering. Universaliteit diende te worden verwezenlijkt door te streven naar eenheid en het overstijgen van de vertegenwoordiging van de politieke macht. Maar die eenheid betekende ook het opofferen van verschillen. Vandaag is de nieuwe epistemologische en ontologische vereiste zoals weerspiegeld door P2P geen abstract universalisme, maar de concrete universaliteit van een commons die de verschillen niet heeft opgeofferd. Dat is de waarheid die het nieuwe concept van de veelheid, ontwikkeld door Toni Negri en geïnspireerd door Spinoza uitdrukt. P2P is niet gebaseerd op vertegenwoordiging en eenheid, maar op de volle weergave van de verschillen.

Die inzichten en ontwikkelingen worden ook uitgedrukt door hedendaagse spirituele beoefenaars. Welk soort van veranderingen kunnen we verwachten bij de expressie van spiritualiteit?


Deel drie: casestudies

Wat volgt, is niet bedoeld als uitgebreide herziening van de religieuze-spirituele trends die worden beïnvloed door de drie hoger vermelde paradigma’s, maar een greep uit enkele recente tendensen die eraan verbonden zijn.


Benaderingen die gericht zijn op de commons

Noteer bijvoorbeeld hoe John Heron specifiek het P2P concept van de commons integreert in zijn spiritueel wereldbeeld, door een Globale Integrale Spirituele Commons te erkennen en er voor op te roepen: ‘Met integrale spiritualiteit bedoel ik op zijn minst een spiritualiteit die zich in volle belichaming manifesteert in relatie en onderlinge verbondenheid, in wederkerigheid en sharing, in autonome creativiteit en in volle toegang tot multidimensionale betekenissen. Met “globale commons” bedoel ik een wereldwijde ruimte waartoe iedereen op de planeet het recht op toegang heeft en die een wereldwijd forum is voor communicatie tussen iedereen die zijn toegangsrecht opeist. De cyberruimte van het internet is zo’n globale commons.

Cyberspace wordt zelf volledig belichaamd in de dynamische relatie tussen mensen en het planetair netwerk van computers: het is een ruimte geschapen door onderlinge verbondenheid; het is gebaseerd op de volle en onbelemmerde wederkerigheid van het delen van informatie; het is een onbeperkte ruimte voor de expressie van autonome creativiteit; en het verschaft iedereen toegang tot een zeer brede waaier multidimensionale betekenissen. Het is in die zin dat ik het internet, dus cyberspace, een globale integrale spirituele commons noem. Het heeft de kenmerken en het potentieel van een integrale spirituele ruimte. Het feit dat we een dergelijke ruimte kunnen gebruiken voor vulgaire of corrupte doelstellingen doet volgens mij niets af van haar inherent integrale spirituele status, net zoals de spirituele status van de vrije wil geenszins wordt ondermijnd door misbruik van de vrije wil. Precies die continuïteit van status, wat we ook doen met de gift, doet ons vroeg of laat oproepen voor een bevrijdend en creatief gebruik van die gift.


Werken op het “wij-terrein” via peer-cirkels

Mushin is een van de spirituele leraars die deze inzichten spiritueel heeft uitgedrukt, eerst en vooral door zijn eigen gedrag te veranderen van “leraar” tot spiritueel facilitator en mentor. Ziehier hoe hij de ontdekking van de “wij” verwoordt, als deel van het verhaal van zijn conversie naar een leider die begaan is met het helpen van anderen bij het bereiken van ‘autonomie in het kader van samenwerking’:

“Het is dus prachtig en zinvol dat die ruimte natuurlijk niet leeg is maar overloopt met een allesomvattende “Wij”. En zoals ik zei, laat die “Wij” zich overal ter wereld intuïtief voelen en begrijpen, en manifesteert zich op verschillende manieren aangezien mensen willen samenwerken in gemeenschappen en zien dat de tijd van helden (centrale zonnen), redders en alleenstaande leiders die de zaken weer kunnen rechtzetten definitief voorbij is. De wereld en de wereldproblemen zijn zo complex geworden dat we alleen maar kunnen hopen dat we gepaste antwoorden zullen vinden in de ‘kringen’ van verschillende mensen die elkaar oog in oog en hart aan hart kunnen ontmoeten – misschien via een soort van collectieve leiding. Dit is op wereldschaal trouwens al bezig. We kunnen hier niet alle initiatieven vermelden die overal ter wereld aan de gang zijn. Maar het is een aspect van de “Wij” die zich aan het manifesteren is. Een ander aspect is de zin van spirituele zielsgenoten of clans die elkander terugvinden over landen en continenten heen. Het lijkt wel alsof we eeuwen geleden hebben gekozen om op dit kritieke tijdstip op planetaire schaal samen te komen en op te treden als vroedvrouw van wat komen zal. Wat ook het geval moge zijn, wij herkennen elkaar en er is een onmiddellijke connectie die verder gaat dan woorden, zelfs verder dan ons begripsvermogen. We kunnen het alleen maar accepteren.

Een derde aspect manifesteert zich via de zogenaamde ‘Circle Being’, een “zijn-kring” die zich manifesteert als een hogere vorm van zijn, samen met een ongelooflijke coherentie die individuen aantrekt om te participeren. Dit is vast en zeker de zeer coherente “Wij”.


De ontwikkeling van intersubjectieve vergemakkelijking

Gezien het relationeel bewustzijn en het collectieve “Wij” terrein heeft gewonnen, werden ook instrumenten en praktijken ontwikkeld die individuen toelaten om binnen die sfeer te groeien. Sommige van de beter bekende zijn de dialoog van Bohm, het coöperatief onderzoek van John Heron en Barbara Langton, de ‘contemplatieve dialoog’ van Steven Wirth, het ‘dyadisch en triadisch onderzoek van Almaas, etc. Ze staan in contrast met de benaderingen van individuele spirituele groei die relationele en collectieve terreinen grotendeel verwaarloosden.

Om slechts één voorbeeld te geven van dit nieuw type van groepgebaseerde facilitatietechnieken, volgt hier een beschrijving van de dialoog van Bohm door Bruce Alderman: “In de dialoog van Bohm streeft men naar bewustwording van de beweging van het denken die zich tegelijk voordoet in verschillende dimensies: als de subjectieve gedachten en ‘gevoelens’ die op elk moment opdoemen; als de objectieve uitdrukking van sensaties en contracties in het lichaam; als de gebaren en lichaamstaal van de leden in de groep; als de bijzondere inhoud van de aan de gang zijnde discussie; als patronen van interactie en conflict die zich in de loop van de tijd voordoen (niet alleen in één sessie, maar verspreid over veel sessies); als de conventies en regels die de dialoogstroom kan afremmen, enzovoort.

“In het begin is die praktijk vrij moeilijk. Maar men benadert het op een eenvoudige manier: men start vanuit een luisterpositie waarbij men de dialoog laat ontvouwen in de ruimte van het bewustzijn vastgelegd door de groep. Bepaalde diepgaande overtuigingen, vooronderstellingen, ‘ongeschreven regels’, angst, onzekerheden enzovoort zullen zich via dit proces geleidelijk manifesteren, aangezien percepties van individuen in de groep niet met elkaar overeenkomen en verschillende conflicten naar boven komen. Die impliciete overtuigingen, die vormen van psychologische en culturele conditionering komen niet echt aan de oppervlakte bij eenzame meditatie. Maar in de contemplatieve dialoog van Bohm, zeker als ze dagen- of wekenlang wordt volgehouden, zullen die patronen na verloop van tijd op het intersubjectief terrein naar boven komen, gekend en verwerkt worden door de groep in haar geheel (of privé door individuen na de beëindiging van een bepaalde sessie).”

Bohm beweert (en ik bevestig) dat een aangehouden praktijk van die vorm van dialoog, vooral als bepaalde grondregels worden gevolgd, niet alleen kan leiden tot het ontstaan van inzicht bij individuen in de groep, maar tot een soort van collectieve intelligentie die zich uit onder de deelnemers – een creatieve stroom van bewustzijn en inspiratie die de groep kan begeleiden naar steeds diepere niveaus van inzicht en gemeenschapsvorming. De onbewuste conventies en gewoontes van gedachten, de conditionering die meestal onze reacties en sociale onderhandelingen aanstuurt, opent een levend veld van responsieve intelligentie – in de woorden van Bohm, de geboorte van groepsintelligentie vanuit het grotendeels onbewuste terrein van ‘groepsdenken’.


Chaosreligies op het internet

Remi Sussan, de auteur van een boek over postume utopieën, is ook zeer goed geïnformeerd over de nieuwe vormen die religie in en via het internet aanneemt. Ze stelt het volgende: “Gedurende de laatste twee decennia is er een nieuwe trend van occultisme ontstaan die in menig opzicht de gewone eigenschappen van traditionele esoterische doctrines overhoop gooit. Occultisme benadrukt geslotenheid, maar de nieuwe occultisten doen alles in volle openheid: occultisme is gebaseerd op hiërarchische systemen, rangordes; nieuwe occultisten lachen hiërarchie echter uit en verkiezen wanorde boven orde; occultisme beweert dat wijsheid stamt uit een ver verleden, een Prisca Theologia; nieuwe occultisten aarzelen niet om zich te roemen op hun moderniteit en doen de grens tussen religie en verbeelding vervagen door beelden te gebruiken die afkomstig zijn van de popcultuur: Mr Spock, Buffy the Vampire Slayer, en zelfs Bugs Bunny.

“Diee stroming die bekend staat onder verschillende namen zoals ‘chaos magick, pop magic, postmodern magic, is in feite de deconstructie van traditioneel esoterisch denken. Het is tevens een van de eerste egalitaire, niet-autoritaire spirituele bewegingen. De nadruk die in die beweging wordt gelegd op ‘chaos’ lijkt te bewijzen dat ze niet alleen hiërarchische spiritualiteit in vraag stelt, maar zelfs het begrip ‘orde’ zelf.”


Een van de laatste uitdrukkingen van die trend is de Ultraculture beweging, gepromoot door Jason Louv van Disinfo.com:

“Het is een culturele beweging die gebaseerd is rond de massale belangstelling voor magie en de overeenkomstige nood om dit toe te passen ten einde onze diep verstoorde wereld te verbeteren.”

Ultraculture heeft twee specifieke betekenissen:

“Het is de naam van een sociaal netwerksysteem. Meer specifiek is het achterliggende idee van ‘Ultraculture’ om het model van Indymedia toe te passen op magie, en ‘scènes’ op te stellen die steunen op open steden en gebaseerd zijn rond mailinglijsten en webpagina’s waar mensen zich kunnen verbinden met anderen in hun streek die geïnteresseerd zijn in magie, esoterie, bewustzijnsevolutie, enzovoort, en discussies voeren in termen van hoe het van toepassing is op hun eigen ervaringen en gemeenschappen, en vervolgens de mate van activiteit en betrokkenheid binnen dit groeiende netwerk bepalen.

“Ultraculture is GEEN nieuwe magische orde, groep of hiërarchie, en ook niet het zoveelste discussieforum; in die hoedanigheid is het enkel een sociaal verbindingssysteem op zowel plaatselijke als globale schaal. Traditioneel wordt occultisme nagestreefd door de figuur van de ‘outsider’; Ultraculture heeft tot doel om magie sterker te situeren als een activiteit van gemeenschappen.”


Open source religies

Hier is nog een andere hedendaagse uitdrukking die spirituele kennis beschouwt als een collectief eigendom van de mensheid en daarom beschikbaar moet zijn onder de vorm van ‘open source’, die diverse individuen en gemeenschappen vrij en co-creatief kunnen wijzigen en aanpassen.

Wikipedia merkt op dat “Open-sourcereligies proberen open-sourcemethodes toe te passen op de creatie van religieuze geloofsystemen. Als dusdanig worden hun geloofssystemen gecreëerd via een permanent proces van verfijning en dialoog onder de gelovigen zelf. In vergelijking met traditionele religies –die beschouwd worden als autoritair, hiërarchisch en weerspannig tegenover verandering- leggen zij de nadruk op participatie, zelfbeschikking, decentralisatie en evolutie. Volgelingen zien zichzelf als deel van een meer algemene open-sourcebeweging die zich niet beperkt tot software, maar dezelfde principes toepast op andere georganiseerde groepsinspanningen om menselijke artefacten te creëren.”

Het aangehaalde artikel geeft een aantal voorbeelden, met inbegrip van de minder dan succesvolle poging door Douglas Rushkoff om een proces van ‘open source judaïsme’ te creëren.


Op weg naar een contribuerende spiritualiteit

De hoger vermelde voorbeelden tonen aan dat de drie paradigmaverschuivingen –hoewel vandaag in de beginfase- zich laten voelen via hedendaagse spirituele praktijken. Het suggereert een nieuwe benadering van spiritualiteit die ik contribuerende spiritualiteit wil noemen. Die benadering beschouwt elke traditie als een reeks verbodsmaatregelen die vertrekken vanuit een specifiek kader en verschillende facetten van de werkelijkheid kunnen onthullen. Dit kader kan beïnvloed worden door een reeks waarden (patriarchaat, exclusieve doctrines over de waarheid, enz.) die we vandaag kunnen verwerpen, maar die ook psycho-spirituele praktijken inhouden die bepaalde waarheden kunnen bevatten over onze relatie met het universum. Het ontdekken van de spirituele waarheid vergt dan ten minste een gedeeltelijke blootstelling aan die verschillende methodes om binnen een vergelijkbaar kader de waarheid te achterhalen, maar vergt ook een intersubjectieve feedback. Het is dus een zoektocht die we niet alleen kunnen ondernemen, maar samen met anderen die hetzelfde pad volgen. Traditie wordt hierbij niet verworpen, maar kritisch ervaren en geëvalueerd. De moderne spirituele beoefenaar kan zich schatplichtig voelen aan een bijzondere traditie, maar dient zich er niet door beperkt te voelen. Hij of zij kan spirituele onderzoekskringen creëren die de verschillende tradities met een open geest benaderen, ze individueel en collectief ervaren, en waarbij de verschillende individuele ervaringen kunnen worden uitgewisseld.

Op die manier kunnen onderzoekende spirituele gemeenschappen en individuen permanent een nieuw collectieve verzameling spirituele ervaringen creëren. Het resultaat van dit proces is een samen gecreëerde realiteit die onvoorspelbaar is en die nieuwe, al even onvoorspelbare spirituele vormen zal creëren. Maar één ding is zeker: het zal een open, participatieve benadering zijn die zal leiden tot een commons van spirituele kennis waaruit de hele mensheid zal kunnen putten.