P2P en menselijk geluk

From P2P Foundation
Jump to: navigation, search

Bron

Jean Lievens:

P2P en menselijk geluk

Oorspronkelijke tekst: P2P and Human Happiness (06/12/2007)

URL = http://gnh-movement.org/papers/bauwens.pdf


Tekst

Michel Bauwens:

"De opkomst van gedistribueerde netwerken, gedefinieerd als het vermogen van agenten om hun daden en relaties vrij te bepalen, en van het internet als een sociaal web, heeft aanleiding gegeven tot een nieuw technologisch potentieel dat aan de basis ligt van een hele reeks gemeenschappen rond open kennis en open design die werken volgens een sociale ‘peer-to-peer’-logica. Die gemeenschappen brachten een aantal nieuwe sociale processen van waardecreatie op gang die we kunnen samenvatten als peer-productie (het vermogen om samen te produceren), peer Governance (het vermogen tot zelforganisatie) en peer-eigendom (het vermogen om gemeenschappelijke productie algemeen toegankelijk te maken). Het sociaal web maakt de creatie van complexe sociale diensten en ‘productieve systemen” mogelijk via de globale coördinatie en het schalen van participatieprocessen op massale schaal van kleine groepen die zich verplaatsen van de marge van het maatschappelijk leven naar het centrum zelf.

Dit essay heeft tot doel de kenmerken van dit nieuw maatschappelijk proces te beschrijven en na te gaan hoe ze precies verbonden zijn aan de kwestie van menselijk geluk.


De opkomst van passionele productie

De opkomst van deze nieuwe productiewijze werd reeds vrij uitvoerig beschreven en onderzocht en komt aan bod in recente samenvattingen in een reeks boeken en monografieën.

Yochai Benkler (in The Wealth of Networks ) heeft op basis van de theorie over transactiekosten van Ronald Coasei de bijzondere omstandigheden onderzocht waaronder peer-productie die gebaseerd zijn op de commons kan plaatsvinden. Die omstandigheden zijn nauw verbonden met de opkomst van een globaal gedistribueerd netwerk voor het produceren en delen van kennis; dit is het vermogen om niet-rivaliserende informatieproducten te reproduceren tegen marginale kost. We kunnen de hoofdstelling als volgt formuleren: als de deelnamekost laag genoeg is, kan om het even welke drijfveer voldoende zijn om bij te dragen.

Deze nieuwe manier om sociale waarde te produceren, is ook een nieuwe manier om menselijke gemeenschappen te leiden, in het bijzonder een technologische ontwikkelingswijze die vandaag uitgebreid wordt toegepast bij de ontwikkeling van software. In zijn boek “The Success of Open Source’ stelt Steve Weber een gedetailleerd onderzoek voor van het ontwikkelingsproces van open source en Governance. Er bestaat vrijwel een consensus in de pragmatische onderzoeksgemeenschap, vertegenwoordigd door durfkapitaal, dat open source zal uitgroeien tot de normale strategie voor investeringen en dat er maar een beperkte toekomst meer is weggelegd voor strategieën die zich louter baseren op gesloten modellen van softwareontwikkeling. Een andere gedetailleerde schets die zich meer concentreert op algemene kennisproductie is te lezen in het boek van Ael Burns, onderzoeker aan Queensland University, die spreekt over een proces van prosumptie. Productie en consumptie smelten immers samen en zogenaamde prosumentengemeenschappen nemen het voortouw. Het welbekende boek “The Cathedral and the Bazaar” van Eric Raymond gaf eerder al een uitgebreide verklaring waarom open source voor complexe projecten zoals software beter functioneert, terwijl het boek van Alexander Galloway “Protocol” een diepgaand onderzoek is naar het gebruik van de verdeling van macht binnen gedistribueerde netwerken.

Peer-productie die steunt op de commons creëert ook een brede waaier van hybride modaliteiten, waarbij ondernemingen en instellingen praktijken aannemen die een aantal kenmerken vertonen van peer-productie, maar waarbij het proces wordt geïntegreerd in de waardeketen onder de controle de onderneming. Een baanbrekend boek hierover is “The Democratization of Innovation” van Eric von Hippel die de opkomst van sociale innovatie buiten de onderneming om beschrijft, door gebruikersgeleide gemeenschappen of “leidende gebruikers”. Hij toont aan hoe dat soort van sociale innovatie vandaag centraal staat in het industrieel proces. Don Tapscotts “Wikinomics” beschrijft hoe ondernemingen dergelijke praktijken van open participatie opnemen in hun concurrentiestrategieën. Hij geeft tal van voorbeelden van co-design, co-creatie en crowdsourcing als verschillende manieren waarmee bedrijven een bredere participatie integreren in hun waardeketens. Hij concludeert dat dergelijke praktijken vanuit een concurrentieel standpunt noodzakelijk worden en een nieuwe basis zijn voor een succesvolle bedrijfsvoering. Hij verwacht dat er een wet van asymmetrische competitie in de maak is die steunt op de volgende hypothese: elke winstgedreven onderneming die participatie niet integreert in zijn bedrijfsmodel heeft een competitief nadeel tegenover bedrijven die het wel doen, en elke welke winstgedreven entiteit die geconfronteerd wordt met een entiteit voor maatschappelijk nut zal het moeilijk hebben om te overleven. Het paradigmatisch voorbeeld is natuurlijk de opkomst van Linux als een sterke concurrent voor bestuursystemen van computers, en die al een essentieel onderdeel is van de infrastructuur van het internet. “We Think” van Charles Leadbeater beschrijft hoe de deelname op sociale vlak verloopt en is daarmee waarschijnlijk het boek dat zich het meest focust op de maatschappelijke aspecten. Zijn stelling is dat een nieuw sociaal proces van massale “amateurisatie” een nieuwe sociale groep van ‘Pro-Ams’ -professionele amateurs- heeft gecreëerd. De toenemende opleidingsgraad onder de bevolking brengt een verandering teweeg in praktijken die gebaseerd zijn op deskundigheid en verandert de verhoudingen tussen deskundigen, ‘Pro-Ams’ en het grote publiek.

Peer-productie valt ook in een nieuwe categorie van gemeenschappelijk eigendom, want de gemeenschappelijke productie is meestal beschikbaar voor iedereen. Die opkomende vorm van “peer-eigendom” wordt beschreven in een het boek “Code” dat bestaat uit een verzameling wetenschappelijke publicaties bijeengebracht door Rishab Ayer Ghosh. Een dergelijke vorm van eigendom geeft aanleiding tot nieuwe wettelijke en institutionele vormen, variëteiten van oude vormen van de commons, die geassocieerd worden met een bruisende gemeenschap onderzoekers. Het boek “Capitalism 3.0” van Peter Barnes droeg veel bij tot het creëren van een bewustzijn van nieuwe institutionele vormen voor het beheer van commons, zoals trusts. De opkomst van peer-productie, -Governance en -eigendom gaat daarom gepaard met de opkomst van drie nieuwe paradigma met betrekking tot sociale organisatie. De sociale reproductie van passionele productie heeft inderdaad nood aan een open en vrije inbreng, participatieve processen en op de commons gerichte resultaten, die resulteren in een proces van sociale reproductie. Professor Nick Dyer-Witheford noemt dit “de circulatie van de common”. Deze drie paradigma ontstaan op elk gebied van menselijke activiteit.

Hoewel peer-productie uitgroeit tot een sociale praktijk die vooral wordt toegepast op het vlak van immateriële productie van kennis en immateriële diensten zoals software, dus goederen die overwegend niet-rivaliserend zijn, betekent onze genetwerkte informatie-economie nu al dat die praktijk zich genesteld heeft in het centrum van de waardeschepping.

Het zou echter verkeerd zijn te denken dat de opkomst van peer-productie beperkt blijft tot de wereld van de immateriële productie. Het is niet moeilijk om dat te begrijpen. Ten eerste betekent de ontwikkeling van de computer -die eigenlijk een universeel kopieerapparaat is- en van een universeel distributiemechanisme (dat uiteraard afhankelijk is van fysieke en cognitieve toegang) dat het alsmaar contraproductiever wordt om het vrije verkeer van kennis wettelijk en technologisch te beperken. Er is niet alleen steeds meer sociaal verzet tegen restrictievere wetgevingen op het vlak van intellectuele eigendomsrechten en een toenemende consensus bij onderzoekers en politieke initiatieven die aantonen hoe die maatregelen innovatie aan banden leggen, maar ook maken nieuwe wettelijke vormen het mogelijk om legitieme vormen van open inhoud te creëren, zoals de General Public License en de Creative Commons. Aan elke materiële productie gaat een immateriële ontwerpfase vooraf. Daarom ontstaan op natuurlijke wijze open-designgemeenschappen op verschillende vlakken, bijvoorbeeld rond open duurzaamheid en aangepaste technologiebewegingen.

Het creëren van slimme voorwerpen betekent dat een nieuwe configuratie van fysieke, wettelijke en digitale aspecten van entiteiten de creatie van nieuwe soorten commons bevordert (denk aan Couchsurfing.com voor logies in privéwoningen, Bookcrossings.com voor het delen van boeken, een grootschalig project in Parijs voor het delen van stadfietsen, etc.). Aangezien technologie het vandaag mogelijk maakt om voorwerpen op te volgen waardoor misbruik kan worden tegengegaan, wordt het gemakkelijker om open licenties te gebruiken voor fysieke voorwerpen.

Tot slot is er een gecombineerde trend aan de gang bij financieel en productief kapitaal die de opkomst van nieuwe productiewijzen voor fysieke goederen aanmoedigt.


Hier volgt een korte opsomming:

1) geïntegreerde desktop productieomgevingen voor design

2) de trend naar snelle productie en snelle werktuigen

3) persoonlijke fabricage en 3D-printers

4) de ontwikkeling van veelzijdige machines

5) sociale leningen en andere gedistribueerde manieren om fondsen te verwerven.


Terwijl de productie- en distributiesector van fysieke producten moet gehoorzamen aan de wetten van rivaliserende goederen, bestaat er een belangrijke correlatie tussen de verdere miniaturisering en “distributie” van fysieke productiemiddelen (met een trend naar kleinere kapitaalbehoeften), en de reeds verworven middelen voor de productie en verspreiding van informatie. Wanneer stijgende grondstoffen- en energieprijzen gepaard gaan met dalende kapitaalkosten kunnen we hypothetisch gezien een economisch model nastreven waarin open design gecombineerd wordt met meer plaatselijke productie. “Democratization of Innovation” van Erik von Hippel vermeldt verschillende economische sectoren waar dergelijke praktijken al bestaan, zoals in gemeenschappen die extreme sporten beoefenen.

Uit die relatie ontspruiten verschillende hybride modellen die het midden houden tussen de niet-monetaire logica van peer-productie en de monetaire logica van de wereld waarin schaarste overheerst. Momenteel kunnen we drie modellen onderscheiden:

1. “Sharism”. Individuen delen hun creatieve expressies op private platforms. Het delen is niet-monetair, maar het platform wordt gefinancierd door de verkoop van de aandacht van participanten aan de reclamewereld. Dat is in essentie het economisch model achter de opkomst van de platforms van het sociale Web 2.0

2. “Commonism”. Zelforganiserende gemeenschappen creëren een commons. Die wordt geassocieerd met een vereniging voor maatschappelijk nu die de noodzakelijke fysieke infrastructuur beheert (Apache Foundation, Mozilla Foundation, Wikimedia Foundation). Tot slot groeit rond de commons een ecologie van bedrijven die schaarse toegevoegde waarde produceren voor de markt. Maar die bedrijven ondersteunen op hun beurt ook de vereniging voor maatschappelijk nut en de commons waarvan ze profiteren.

3. Crowdsourcing: in tegenstelling tot de vorige modellen die gebaseerd zijn op de productie van gebruikswaarde en slechts afgeleide ruilwaarde, hebben we hier te maken met een gedistribueerde productie van goederen en dus voor ruilwaarde. De platforms kunnen private tussenpersonen zijn (istock fotomodel) of geïntegreerd worden in waardeketens van bedrijven (Lego Factory)


De kenmerken van peer-productie en hun relatie met menselijk geluk.

Peer-productie zet heel wat hoofdeigenschappen van industriële productie radicaal op hun kop. Ziehier een overzicht van die kenmerken en de mogelijke band tussen deze nieuwe praktijken en een “geluksoverschot”.

We verwijzen naar het overzicht van motivatiestudies in het boek van Alexander Kjerulf over geluk op het werk om te illustreren hoe intrinsieke positieve drijfveren resulteren in de hoogst mogelijke productiviteit op het werk.

Om de volgende kenmerken te meten met factoren die geluk in de hand werken, verwijzen we naar een samenvatting van het onderzoek door Francis Heylighen.


- Vrijwillige inzet voor projecten

Passionele productie is gebaseerd op vrijwillige inzet, waardoor dwang structureel wordt geëlimineerd. Individuen kunnen daarom zelf de projecten kiezen die het best bij hen passen en die overeenkomen met hun wensen, levensprojecten en zoektocht naar betekenis. Werken onder dwang zoals bij slavernij of lijfeigenschap resulteert in lage productiviteit. Dergelijke systemen hebben ook een duur repressie- en controleapparaat nodig. Relatieve dwangmethodes zoals in gevallen waarin men afhankelijk is van loonarbeid zorgen voor productiviteit die gebaseerd is op wederzijds zelfbelang, maar heeft ook ingebouwde beperkingen. Onbeloonde taken worden doorgaans niet uitgevoerd en innovatie staat enkel in het teken van concurrentie. Motivatiestudies tonen aan dat de meest productieve vorm van motivatie het intrinsiek positieve model is, dat beter werkt dan het intrinsiek negatieve en intrinsiek positieve model. Peer-productie roeit dergelijke drijfveren structureel uit en weerhoudt enkel de intrinsieke, positieve, “passionele” motivatie.


- Zelfselectie van taken

Peer-productie wordt niet georganiseerd volgens een vooraf bepaalde arbeidsverdeling, maar op een modulering van “korrelige” taken die individuen zelf kunnen kiezen. Ze selecteren van nature taken waarvoor ze belangstelling hebben, die ze aankunnen en waarvoor ze denken de nodige vaardigheden te hebben. Minder aantrekkelijke taken zijn niet geconcentreerd maar worden eveneens verdeeld en kunnen worden opgenomen door vrijwilligers. Bij sommige peer-projecten worden minder aangename taken gekoppeld aan de rest van de bijdrage, waardoor de onaantrekkelijke aspecten eerlijk worden verdeeld.

- gelijkwaardigheid en het “antireferentie” concept

De zelfselectie van taken wordt geassocieerd met een bijzondere visie op de mens en een bijzondere vorm van evaluatie die gebaseerd is op het concept gelijkwaardigheid. Het ‘antireferentieconcept’ betekent dat er geen sterke scheiding meer bestaat tussen het informele en het formele curriculum dat een individu vertegenwoordigt. De bekwaamheid telt, niet een voorafgaand formeel bewijs. Het doel is inclusie, er is geen uitsluitingmechanisme.

Individuen worden niet langer beoordeeld op basis van een “verenigde essentie”, maar worden erkend als complexe wezens. De “korrelige” zelfgekozen taken zijn degene waarvan het individu vindt dat ze passen bij zijn bijzondere vaardigheden. Dit is het principe van equipotentialiteit.

Ziehier een citaat in dat verband van de transpersonele psycholoog Jorge Ferrer:

“Een geïntegreerde en inclusieve spiritualiteit zou het huidige model van menselijke verhoudingen die gebaseerd is op vergelijkingen effectief ondermijnen; het huidige model leidt gemakkelijk tot competitie, rivaliteit, jaloersheid, afgunst, conflict en haat. Wanneer individuen zich harmonieus ontwikkelen met hun meest authentieke en vitale bekwaamheden, zouden menselijke verhoudingen die worden gekenmerkt door wederzijdse uitwisseling en verrijking zich natuurlijk ontplooien omdat mensen niet langer de behoefte zouden voelen om hun eigen noden en tekortkomingen te projecteren op anderen. Meer bepaald zou het uitschakelen van de vergelijkende geest een einde stellen aan de heersende hiërarchische manier van sociale interactie –die paradoxaal genoeg erg belangrijk is in spirituele kringen- waarbij mensen automatisch naar anderen kijken als hun meerdere of mindere, hetzij helemaal, hetzij in een of ander opzicht.

Dit model leidt uiteindelijk tot oneigenlijke en onbevredigende relaties, om nog maar niet te spreken van verwaandheid en spiritueel narcisme. Het zou op natuurlijke wijze de weg voorbereiden voor een soort “Ik-Gij”-ontmoeting, waarbij mensen elkaar als gelijken zouden ervaren, in de zin dat ze zowel superieur als inferieur zijn aan elkaar naargelang hun vaardigheden en activiteiten (intellectueel, emotioneel, artistiek, mechanisch, inter-persoonlijk, enzovoort), maar zonder te denken over die vaardigheden als zijnde beter of slechter dan andere. Het is belangrijk dat we de notie van menselijke gelijkheid vanuit dit perspectief ervaren. Op die manier kunnen we vermijden dat we onze ontmoeting met anderen zouden trivialiseren als zijnde niet meer dan onze gelijken. Het zou ook een hernieuwd gevoel van betekenis en opwindendheid verlenen aan onze interacties, want we zouden echt openstaan voor het feit dat we niet alleen iedereen iets belangrijks kunnen aanleren, maar dat wij ook van iedereen kunnen leren. Kortom, een integrale ontwikkeling van de persoon zou leiden tot een ‘horizontalisering van de liefde’. We zouden de andere niet als een rivaal beschouwen maar als de unieke belichaming van het Mysterie in zowel zijn immanente als transcendente gedaante, als iemand die ons iets kan aanbieden dat niemand anders kan en aan wie we iets kunnen geven die niemand anders kan geven.”

In gelijkwaardige systemen van samenwerking worden individuen altijd op natuurlijke wijze beoordeeld voor wat ze het beste doen, aangezien ze zelf de taken hebben gekozen waarvoor ze het best geschikt zijn, het meest gemotiveerd en zich het meest tot aangetrokken voelen.


- Eliminatie van vaste hiërarchieën en toestemming

Het productieproces op zich is zelforganiserend. Productie is niet gericht op vooraf bepaalde producten; er is geen structuur van bevel en controle, maar het productieproces is “probalistisch”. Toestemming vragen en filteren vooraf worden vervangen door de vrijheid om verschillende benaderingen uit te proberen. Validatie door de gemeenschap gebeurt pas achteraf. Dat betekent de uitschakeling van hiërarchische afhankelijkheid, maar ook van tijdconsumerende democratische onderhandelingen. Het individu kan zichzelf en zijn vaardigheden volledig tot recht laten komen. Het ligt voor de hand dat een dergelijk proces zeer efficiënt is om frustraties die voortvloeien uit een onevenwichtige machtverdeling te minimaliseren. Er is geen afhankelijkheid van het verkrijgen van middelen; er is geen mechanisme nodig voor de toewijzing van schaarse middelen.


- Gemeenschappelijke validatie

Gedistribueerde productie gaat gepaard met gedistribueerde controle. In plaats dat poortwachters vooraf filteren, bestaan er verschillende keuzesystemen om de bijdragen te evalueren en te beoordelen. Over het algemeen wordt de concentratie van macht en privilege in de handen van een beperkt aantal individuen vermeden, en is de deelname van alle prosumenten vereist. In hoogtechnologische omgevingen zoals vrije softwareprojecten zijn het meestal de meest competente en betrokken figuren die beheerders worden van subprojecten en die verantwoordelijkheid opnemen voor de kwaliteitscontrole. Meer niemand is financieel afhankelijk van deze individuen en iedereen heeft altijd de mogelijkheid om het project te verlaten en een nieuwe vertakking te beginnen. De vrijwilligers beschikken dus over alternatieven waardoor de beheerders zelf sterk gebonden zijn aan de normen en goedkeuring van de gemeenschap. De belangrijkste doelstelling van vormen van peer-Governance is het elimineren van de mogelijkheid van een groep individuen om zich af te splitsen van de gemeenschap. Het gekozen model is meestal een combinatie van ad hoc meritocratieën die voordurend evolueren en afhankelijk zijn van verschillende microprojecten. Om de logica van peer-Governance uit te leggen, gebruikt men vaak de analogie met een jazzband, waarbij verschillende solisten om de beurt de leiding overnemen naargelang de verschillende fasen van muzikale expressie.


- Holoptisme en transparantie in plaats van panoptisme

Terwijl traditionele productie door bedrijven gebaseerd is op “panoptisme” en een “need to know”-basis, waarbij het weerhouden van informatie normaal is en niet iedereen gelijke toegang heeft tot informatie en besluitvorming, zijn peer-productieprojecten gebaseerd op volledige transparantie en het omgekeerde principe van holoptisme. Dat betekent dat alle informatie volledig toegankelijk is voor alle gebruikers en deelnemers, via de automatische opvang van elke deelname en bijdrage. Die manier van werken schakelt veel factoren uit die aanleiding geven tot frustratie en ontevredenheid in het productief proces.


- Geen producten maar artefacten in ontwikkeling

Prosumentengemeenschappen maken geen afgewerkte producten, maar bouwen ‘kennisartefacten’ die nooit voltooid zijn maar voortdurend in ontwikkeling. Dat betekent dat er geen deadlines bestaan noch microbeheer door hiërarchieën. De visionaire leiding en deelnemende gemeenschap zetten strategische doelstellingen, ontdekken nieuwe noden naarmate het proces zich ontvouwt en werken voortdurend aan de verbetering van het artefact. Die manier van werken heeft een enorm stressreducerend vermogen.


- Productie voor gebruikswaarde, niet voor ruilwaarde

Peer-gemeenschappen produceren geen goederen om te verkopen, maar kennisartefacten die ze nodig hebben voor hun sociaal leven. Er geen sprake van vervreemding die zou kunnen ontstaan uit het maken van nutteloze goederen om te verkopen.


- Convergente van individuele en collectieve belangen

Peer-productie is niet gebaseerd op altruïsme, noch op dwangmatige vormen van collectivisme, maar op het waardebewust ontwerpen van sociale systemen die de coherentie verbeteren tussen individuele en collectieve belangen. Aangezien informatieproducten niet met elkaar concurreren, brengt sharing een toename teweeg van reputatie, kennis en gekozen relaties, wat resulteert in heel wat voordelen, niet alleen voor het individu dat betrokken is in de uitwisseling, maar ook voor de bredere gemeenschap. Op die manier verwerven we een vrij uitzonderlijke congruentie van individualiteit en relationaliteit.


- De stroom van voordurende verbetering

Deelnemers kiezen niet alleen zelf hun taken, maar ook het moment waarop ze die willen uitvoeren. Uiteraard kiezen ze voor het moment dat hen het beste uitkomt. Dat laat een natuurlijke manier van werken toe die beter overeenkomt met persoonlijke biologische cycli en sociale cycli opgelegd door het familiaal en sociaal leven.

Het resultaat van dit alles toont aan dat passionele productie individuen creëert die meer autonoom zijn, meer mogelijkheden hebben voor samenwerking en ondersteuning, gemakkelijker vaardigheden voor bepaalde taken kunnen ontdekken en verder ontwikkelen en meer mogelijkheden krijgen om betekenis te creëren via gemeenschappelijke projecten, en te werken volgens hun natuurlijke ritme en ‘flow’. Hoewel de mogelijkheden niet altijd volledig worden gerealiseerd, en kunnen worden beknot door de noodzaak tot financieel overleven, zijn ze structureel bijna altijd beter dan degene die eigen zijn aan dwangmatige werkomgevingen. Hoewel er nog altijd niet veel specifiek onderzoek is naar de verhouding tussen peer-productie en geluk, legt Eric von Hippel een verband tussen activiteiten rond gebruikersinnovatie en gelukstoename (von Hippel, 2005, p. 242-244). Een overzicht van de relatie tussen op kennis gebaseerde economische activiteiten en een toename van geluk, geeft verschillende studies die de relatie aantonen tussen deelname aan open source en de toename van vreugde en ‘flow’.


Kwesties, problemen en kansen

De mogelijkheid van peer-productie stelt in de eerste plaats een probleem van toegang. Het potentieel voor deelname wordt beperkt door twee factoren: het gebrek aan fysieke toegang, die voor de meerderheid van de wereldbevolking nog niet verzekerd is, en cognitieve toegang. Universele breedband en geletterdheid over het sociale web zijn noodzakelijke factoren om deelname mogelijk te maken.

Het lijkt ook evident dat, hoewel peer-productie voor een aantal zaken beter geschikt is dan vorige alternatieven, er ook nieuwe problemen worden gecreëerd. De problemen van kwaliteitscontrole in Wikipedia bijvoorbeeld zijn al uitvoerig aan bod gekomen in de media. Ook de hybride co-existentie tussen gemeenschappen die aan sharing doen en de private platforms brengen heel wat spanningen met zich mee.

Het potentieel van peer-to-peer technologie om positieve sociale ‘affordances’ te creëren, kan ook op een radicaal andere manier worden ingezet. Het gecentraliseerde systeem van domeinnamen van het internet kan worden gebruikt voor een wereldwijde structuur voor participatie, maar laat autoritaire staten ook toe om te censureren. De lagere kapitaalvereisten voor sociale productie maakt ook de productie van negatieve sociale goederen mogelijk, zoals verspreide gewelddadige opstanden en criminele samenzweringen. Het gebruik van objectieve peer-to-peer infrastructuur voor de productie van positieve sociale goederen en voor extra geluk vereist cultureel/subjectieve aanpassingen, meer bepaald is er een mentaliteitswijziging nodig die afstapt van het idee van schaarste (ik verlies als ik deel) en dit vervangt door een model van overvloed (we winnen allemaal als we delen). Het potentieel is aanwezig, maar moet worden geactiveerd, en de overheid heeft hierbij een cruciale rol te spelen (net zoals de beschikbaarheid van boeken de noodzaak creëerde voor algemeen onderwijs om geletterdheid te creëren).

Peer-productie is ook een uitdaging voor de algemene organisatie van onze samenleving.

Momenteel wordt slechts een relatief klein deel van de massale waardeschepping omgezet in financiële ruilwaarde, wat niet alleen een probleem vormt voor winstgedreven entiteiten, maar ook voor de peer-producenten zelf. De eigenaars van de webplatforms kunnen geld verdienen door de aandacht van de gemeenschap te verkopen aan adverteerders. Bedrijven die gericht zijn op de commons (bijvoorbeeld IBM en Linux) creëren schaarste rond de commons. En de crowdsourcers verlagen hun productiekosten terwijl ze gelijktijdig de ‘poel’ voor hun eigen innovatieprocessen verhogen. Maar het is niet moeilijk om in te zien dat de verhouding tussen de gebruikswaarde en de financiële ruilwaarde die eruit kan worden gedestilleerd gering is. Eenvoudig gesteld, kunnen we zeggen dat de gebruikswaarde exponentieel toeneemt maar de financiële realisatie slechts lineair.

Als we verwijzen naar het eerdere concept van asymmetrische competitie, stelt dit de bedrijven voor een probleem. Om te kunnen concurreren, zijn ze verplicht om over te schakelen op open, vrije, participatieve strategieën die gericht zijn op de commons, MAAR tegelijkertijd kunnen ze de waarde niet opvangen zonder aspecten van “geslotenheid” en “schaarste”. Zowel praktijken die gebaseerd zijn op het delen van inkomsten als van voordelen zijn onderworpen aan mogelijke exploitatie en gebrek aan gelijkheid.


Laat ons nog even de volgende bijkomende kwesties overlopen:

Innovatie wordt steeds socialer, wat betekent dat ze steeds meer het bezit wordt van het hele sociale terrein van netwerken en niet langer een interne eigenschap van winstgedreven instellingen.

Ondernemerschap wordt losgekoppeld van het kapitalisme en randcompetenties nemen de plaats in van kerncompetenties als belangrijkste concurrentievoordeel.

De samenleving en marktspelers genieten steeds meer van de positieve externe effecten van sociale samenwerking, maar er ontbreekt een efficiënt returnmechanisme.

Peer-productieprojecten kunnen collectief duurzaam zijn (zolang individuen die vertrekken worden vervangen door minstens evenveel nieuwe deelnemers), maar individuen die actief zijn op het vlak van passionele productie moeten nog altijd in hun eigen levensonderhoud voorzien.

Dat veroorzaakt een crisis van bestaansonzekerheid, waarvan creatieve professionals niet alleen het slachtoffer zijn, want vaak is het ook een kwestie van keuze: een betaalde baan wordt gezien als een middel om aan meer zinvolle passionele waardecreatie te doen. Maar wat leuk is op je 25ste, wordt problematisch als je een familie moet onderhouden.


Wat kunnen we doen?

Ondanks het bovenstaande zijn de verwezenlijkingen en het verdere potentieel van peer-productie van die aard dat ze ondersteunende beleidsmaatregelen verrechtvaardigen. Indien de wet van asymmetrische competitie bovendien wordt bevestigd -en er zijn effectief al veel voorbeelden van open strategieën die triomferen over gesloten modellen; je kan ze terugvinden in de wiki’s van de P2P Foundation- dan volgt daaruit dat zowel instellingen als ondernemingen en staten voldoende redenen hebben om dergelijke praktijken aan te nemen en te ondersteunen.

Winstgedreven entiteiten kunnen beginnen met het ondersteunen van de commons, de gemeenschappen of algemeen de sociale innovatie waarvan ze profiteren, aangezien dit de ‘poel’ is waaruit ze putten om waarde te creëren.

Bedrijven moeten sociale innovatie actiever ondersteunen door de uitbreiding van de praktijk van ‘benefit sharing’ (delen van voordelen).

De overheid kan evolueren naar een partnerstaat die directe sociale productie en sociale innovatie mogelijk maakt en bevordert. De hervormingen van de arbeidsmarkt die rekening houden met de mobiliteit van moderne werknemers moeten worden verrijkt met het inzicht dat periodes van werkloosheid potentieel even creatief, noodzakelijk en sociaal nuttig zijn als periodes waarin gewerkt wordt. Uiteindelijk zullen we moeten komen tot vormen van inkomsten die gescheiden worden van de noodzaak om te produceren voor de markt.

Peer-producenten kunnen hun contact met de markt ook rechtstreeks organiseren, met respect voor hun principes van gelijkheid en transparantie die in overeenstemming zijn met de onderliggende waarden van peer-productie. De OS Alliance van open softwareontwikkelaars in Oostenrijk is een baanbrekend model op dat vlak.

Tot slot: we hebben aangetoond hoe peer-productie als productiewijze, en de peer-to-peer-dynamiek als een bestaanswijze het potentieel hebben om onder bepaalde omstandigheden andere productiewijzen te overstijgen op het vlak van productiviteit, politieke participatie en distributief vermogen. Subjectief gezien veroorzaakt dit meer geluk omdat het de intrinsieke positieve motivatie tot bloei laat komen. Intersubjectief vertegenwoordigt het meer relationele rijkdom door hogere vormen van synergetische samenwerking en collectieve intelligentie.

Daarom moeten we eerst leren erkennen en aanvaarden dat peer-productie inderdaad een nieuwe logica in het leven roept voor onze economie en beschaving; en ten tweede, eens we accepteren dat het een betere “wijze’” is, moeten we uitvissen hoe we het kunnen uitbreiden en beschermen. Wat hier op het spel staat, is niets minder dan menselijk geluk."