Het sociaal web en zijn sociale contracten en tegenstellingen

From P2P Foundation
Jump to: navigation, search


Bron

Jean Lievens:

Het sociaal web en zijn sociale contracten: enkele nota’s over sociale tegenstellingen binnen het netarchisch kapitalisme.

Originele tekst: “The social web and its social contracts: Some notes on social antagonism in netarchical capitalism” gepubliceerd op 17/12/2007 door Re-Public

URL = http://www.re-public.gr/en/?p=261

Het sociaal web, zo beweert Michel Bauwens, steunt op een onderliggend maar onstabiel sociaal contract. Vanuit het standpunt van de gebruikers bepaalt dit contract dat de platformeigenaars de aandacht die de gebruikers opwekken mogen verkopen (door middel van advertenties) zolang dit hun sharing niet in de weg staat. Als die inmenging een zekere grens overschrijdt, zullen de gebruikers revolteren, ofwel elders heen gaan.


Tekst

Michel Bauwens:

"Als we spreken over het sociale web, moeten we voorzichtig welk aspect we bedoelen. Spreken we over:

  • wat het web zich technisch kan veroorloven: de nieuwe participatiegraden die erdoor mogelijk worden gemaakt?
  • het sociale web als een proces van directe waardeschepping door prosumentengroepen?

de eraan verbonden bedrijfsmodellen?


1.

Het sociale web maakt een nooit eerder geziene graad van “social sharing” mogelijk, maar doet dit vooral via platformen in privébezit. We moeten daarom een duidelijk onderscheid maken tussen de onzichtbare architectuur, namelijk het “protocol” van de technologie die het web mogelijk maakt, en het eigenlijke eigendomsaspect. Het protocol moet open genoeg zijn om sharing mogelijk te maken, maar tegelijkertijd voldoende gesloten om schaarste te creëren die kan worden geëxploiteerd door de eigenaars van de platforms.

Dit betekent dat er een duidelijk spanningsveld bestaat tussen de gebruikersgemeenschap en de bedrijfshiërarchie.

Voor de eigenaars van de platforms is openheid altijd een tweesnijdend zwaard. Enerzijds is het voordelig om zich open te stellen en een sterkere en bredere commons te creëren van waaruit ze meer waarde kunnen genereren, maar anderzijds betekent volledige openheid ook totaal controleverlies waardoor het moeilijker wordt om de waarde op te vangen ten voordele van de eigen aandeelhouders. De spanning tussen de gebruikersgemeenschap en het platform is dus structureel, net zoals er een competitief antagonisme bestaat tussen de verschillende platforms die met elkaar concurreren om zoveel mogelijk gebruikers te lokken.

Daarom geloven we dat het sociale web gehoorzaamt aan een onderliggend, maar onstabiel sociaal contract. In navolging van dit contract zeggen de gebruikers vanuit hun standpunt: “Wij stellen het op prijs dat we uw platform kunnen gebruiken om te delen, en we begrijpen dat er aan de werking van uw platform kosten verbonden zijn, en dat u winst wil maken. Daarom staan wij u toe om reclame-inkomsten te verdienen met de aandacht die onze activiteit opwekt, zolang we maar niet te veel hinder ondervinden. Maar van zodra de hinder een zekere grens overschrijdt, komen we in opstand of gaan of gaan we elders heen.

Merk op dat het sociale web fundamenteel gericht is op de convergentie van individuele en collectieve belangen. Het laat het delen van individuele expressies toe maar de schakels onder de leden van de gebruikersgemeenschap hebben zijn zwak. Juist daarom is het voor de gebruiksgemeenschap niet zo gemakkelijk om haar eigen platform te creëren en heeft ze derden nodig.

We mogen het sociale web en de sharing economie niet verwarren met de “economie van de commons” die over een eigen infrastructuur beschikt. We spreken van de economie van de commons wanneer gemeenschappen zich richten op de productie van gemeenschappelijke producten. Dit vereist coördinatie en inzet en creëert daarom sterkere banden. Door die sterkere banden beschikken projecten die gericht zijn op de commons, in tegenstelling tot platforms die gericht zijn op sharing, over een eigen infrastructuur. In plaats van een duale structuur tussen de gebruikersgemeenschap en het private platform, heeft de economie van de commons een driedelige structuur die de zelforganiserende gemeenschap prosumenten combineert met democratisch bestuurde verenigingen voor maatschappelijk nut. Deze laatste zorgen voor de noodzakelijke infrastructuur en een bedrijfsecologie die verhandelbare schaarste creëert rond de commons.


2.

Het voorgaande punt is erg belangrijk. Over het algemeen is het van cruciaal belang om een onderscheid te maken tussen de logica van sharing en de logica om aandacht te verkopen, ook al zijn beide met elkaar verbonden en zijn hybride vormen mogelijk. De eerste is een voorwaarde voor de tweede, maar kan niet worden herleid tot de tweede. Het platform is de voorwaarde om aan sharing te doen, en sharing is de voorwaarde voor de aandachtseconomie die de platformeigenaars ten goede komt. De overweldigende meerderheid van de gebruikers zijn niet actief op het platform om geld te verdienen, maar om zich creatief uit te drukken en dit te delen met de gemeenschap. Dat levert hen verschillende niet-monetaire voordelen op, zoals een groeiende reputatie.

Het begrip “crowding out” (verdringen) betekent dat de logica van sharing, net zoals de logica om te produceren voor de commons, niet mag worden besmet door de concurrerende logica van geldgewin. Van zodra we geldgewin introduceren, vernietigen we eigenlijk de logica van sharing. Sharing werkt alleen als we vrijwillige inzet combineren met universele toegang en als we tussen de deelnemers geen ongelijkheid kunnen waarnemen. Dat is ook de reden waarom een model dat voorziet in het delen van de inkomsten meestal contraproductief is. We kunnen het gebrek aan een verdeling van de inkomsten bijgevolg niet gelijkstellen aan een eenvoudig concept van exploitatie. Elke oproep om “de inkomsten eerlijk te verdelen” is eigenlijk contraproductief aangezien dit niet alleen een kapitalistische en monetaire logica introduceert in de gemeenschap, maar ook de postkapitalistische praktijk van sharing zou verdringen en vernietigen.

Er is natuurlijk nog een andere factor. Terwijl de gebruikers sociale welvaart creëren en de eigenaars van de platformen daar geld mee verdienen, rijst de vraag: welk rendement kan er gecreëerd worden? Google en YouTube hebben aangetoond in welke mate er geld kan worden verdiend aan dergelijke sociale processen, maar de gebruikersgroepen worden doorgaans niet rechtstreeks financieel gecompenseerd. De juiste manier om een return te creëren voor de positieve externe factoren van sharing of de commons, is niet door de inkomsten te delen, maar de voordelen. Dat laatste wordt gekenmerkt door een veralgemeende steun aan de infrastructuur voor sharing of de productie van een commons, door de ondersteuning van de gebruikersgemeenschap, en wel zodanig dat er geen verdringing (“crowding out”) of ongelijkheid optreedt.

De situatie is erg verschillend als de productie gericht is op de commons, of als we ervan uitgaan dat sommige sharing gemeenschappen over hun eigen platforms zouden beschikken. Het voorbeeld van de Wikimedia Foundation die de infrastructuur van Wikipedia beheert maar niet het proces van waardeschepping, toont aan dat verenigingen voor maatschappelijk nut niet van nature gericht zijn op kapitaalaccumulatie of winstmaximalisatie. Wikipedia laat bijvoorbeeld geen reclame toen, in tegenstelling tot Craiglist die nochtans ook een logica hanteert die sterk gericht is op de gemeenschap. Op de blog van de Mozilla Foundation vinden we discussies terug over hoe moeilijk het wel is om financiële inkomsten toe te wijzen in een omgeving waar er gevaar voor verdringing bestaat. Als we van oordeel zijn dat geldgewin gelijk is aan uitbuiting, kunnen we niet simpelweg eisen om de inkomsten te onteigenen en terug te geven aan de sharing gemeenschap, want dan zouden we de logica van sharing vernietigen en vervangen door een financiële logica die op haar beurt zou resulteren in verdringing (crowding out).

Er is maar één uitzondering op die regel. Sommige platformen zijn specifiek gericht op het creëren van ruilwaarde door freelancers of microbedrijfjes. In dergelijke gevallen kan de kwestie van verdeling van de inkomsten en monetaire exploitatie aan bod komen.

Als bovenstaande juist is en goed begrepen wordt, is sommige linkse retoriek over uitbuiting van gratis arbeid en vervreemding van gebruikersgroepen erg misleidend en politiek contraproductief.

Het feit dat gebruikersgroepen in een context van sharing of van de commons niet in conflict lijken met de eigenaars van de platforms, is niet omdat ze vervreemd zouden zijn, maar juist omdat ze hun fundamentele belangen die verbonden zijn aan het behoud van sharing en de commons als fundamentele sociale vooruitgang met duidelijke onmiddellijke persoonlijke en collectieve voordelen correct inschatten. In het geval van sharing zijn ze natuurlijk blij met de kracht die ervan uitgaat en begrijpen ze ook dat een duurzaam bedrijfsmodel noodzakelijk is. In het geval van de commons begrijpen ze de niet-wederkerige aard van peer-productie. Daaruit volgt onvermijdelijk dat commercieel gebruik aanvaardbaar is, aangezien de resultaten universeel beschikbaar zijn en vrij mogen worden gebruikt naargelang de noden. Bepaalde gebruiken kunnen inderdaad commercieel zijn. Het is geen toeval dat licenties zoals de GPL, die de commons radicaal verdedigen, commercieel gebruik toelaten, terwijl de Creative Commons (CC) de meest gebruikte licentie is, hoewel die sharing meer aan banden legt en commercieel gebruik verbiedt. De reden is dat de GPL een ware commons creëert die een logica volgt van volkomen niet-wederkerigheid, terwijl de CC een licentie is die de mate waarin de gebruikers kunnen delen onder de controle plaatst van de individuele eigenaars.

Een echte commons heeft geen verdeling van inkomsten maar van voordelen nodig, wat ondersteuning van de commons mogelijk maakt, ook in het belang van de participerende bedrijven.

Politieke nadruk op exploitatie is contraproductief omdat je de grote meerderheid van gelukkig deelnemers en peer-producenten ervan moet overtuigen dat hun vreugde over sharing eigenlijk misplaatst is en vervreemdend. Vaak is die kritiek ook verbonden met een oproep om financiële en kapitalistische praktijken te introduceren (verdelen van de inkomsten) in het proces van sharing en peer-productie. Geen enkele industriearbeider moet ervan overtuigd worden dat hij wordt uitgebuit. Hij ontwikkelt dit bewustzijn volledig natuurlijk en kan de uitbuiting voelen tot op het bot. Het bewustzijn dat de opkomst van de commons en sharing positieve sociale evoluties zijn, ontwikkelt zich even natuurlijk.

Dat betekent niet dat we de financiële kant van het verhaal moeten ongemoeid laten. We kunnen ijveren voor institutionele vehikels die gelijkheid in de hand werken. Zowel gemeenschappen die zich richten op sharing als op de commons zouden profiteren van meer ethische financiële modellen die overkomen met de waarden die verbonden zijn aan sharing. In plaats van winstgedreven bedrijven te laten genieten van de financiële voordelen is het beter om te kiezen voor “andere vormen van kapitaal”, bijvoorbeeld door het oprichten van coöperatieven zoals OS Alliance in Oostenrijk.

We moeten vooral onthouden dat niet-wederkerigheid alleen maar mogelijk is in de wereld van niet-rivaliserende immateriële productie. In de wereld van fysieke productie waar monetarisering kan plaatsvinden, moet investeringskapitaal kunnen terugvloeien om nieuwe productiecycli mogelijk te maken. Dit kan gebeuren door middel van marktmechanismen, maar ook door vernieuwde economische vormen die steunen op wederkerigheid.


3.

Wat is dan de ware sociale configuratie van tegenstrijdige belangen en wat zijn de spanningsvelden waarop we ons best concentreren?

Niet alleen kenniswerkers, maar alle producenten passen hun leven minstens gedeeltelijk aan directe sociale productie van gebruikswaarde aan, door zich te richten op sharing of op de commons. Peer-productie blijft niet beperkt tot hooggeschoolde kenniswerkers. Haar principe van equipotentialiteit en zelfselectie van granulaire taken betekent dat ze toegankelijk is voor alle producenten. Omdat kennis centraal staat in de genetwerkte informatie-economie, staan dergelijke praktijken centraal in onze samenleving, zoals Yochai Benkler overtuigend heeft uitgelegd. Aangezien peer-productie economisch productiever is, politiek participatiever en als eigendomsvorm sociaal distributiever, is ze ook een postkapitalistische manier om waarde te creëren die haar onvermijdelijk naar de voorgrond zal duwen.

Maar peer-productie herconfigureert ook de eigenaarklasse. De twee pijlers waarop het cognitief kapitalisme steunt, het onttrekken van surplusrendement door monopolies op intellectueel eigendom en het monopolie van de distributiemiddelen, worden systematisch ondermijnd door gedistribueerde netwerken. Marginale kosten voor het reproduceren van informatiegoederen, de mogelijkheid tot kopiëren van de informatiekern van hoogwaardige fysieke producten, en het sociaal web als een universeel distributieplatform voor informatieproducten en voor open design van fysieke producten, verplaatsen dergelijke monopolies . Daarom is het logisch dat bepaalde delen van de eigenaarklasse uit puur eigenbelang zichzelf omvormen tot netarchische kapitalisten. Het zijn kapitalisten die sharing gemeenschappen helpen en stimuleren en overeenkomsten afsluiten met productiegroepen die gericht zijn op de commons, in het voordeel van iedereen.

Wat is de relatieve positie van prosumentengroepen ten opzichte van netarchische platformeigenaars? Een kort antwoord is dat ze zowel gemeenschappelijke als uiteenlopende belangen hebben. De platformeigenaars zijn bondgenoten van de peer-producenten en de sharing gemeenschap in de mate dat ze sharing toelaten. Maar naarmate ze nood hebben aan ‘enclosure’ (omsluiting) en schaarste voor de concurrentiële markt, lopen de belangen uiteen. Daarom hebben we een geletterdheid van participatie nodig die zich niet richt tegen het abstract begrip van ‘uitbuiting van vrije arbeid’, maar eerder op de onzichtbare architectuur van sharing (die moet open zijn, participatief en gericht op de commons) en tegen vrijheidsbeperkingen die nodig zijn voor private toe-eigening.

Op macroniveau kunnen netarchische kapitalisten bondgenoten zijn in de mate dat ze een sociaal beleid steunen dat gericht is op het bevorderen van sharing en peer-productie (zie de houding van Google ten opzichte van het open spectrum als een positief voorbeeld van beleidsconvergentie). Naarmate ze openheid beperken, lopen de belangen echter uiteen.


4.

Om succes te hebben, zijn voor “sharers” en “commonisten” drie dingen vereist:

Open en vrije grondstoffen zodat sharing en gemeenschappelijke productie kan plaatsvinden. Prosumentengroepen voelen zich van nature aangetrokken tot vrije sofware, open content, open access, etc.

Een zo laag mogelijke deelnamedrempel die elke drijfveer en elke bijdrage mogelijk en productief maakt.

Ze moeten de resulterende commons beschermen tegen privatisering. Daarom is aandacht nodig voor de bijzondere licentievereisten en waakzaamheid tegen onteigeningsstrategieën, zoals het op voorhand ondertekenen van een overeenkomst waarin afstand wordt gedaan van alle creatieve rechten ten gunste van de platformeigenaars.

Dat vergt allemaal een geletterdheid van participatie en een intelligente benadering wat betreft samenlopende en uiteenlopende belangen, geen reflexmatige oppositie tegen de platformeigenaars.

De platformeigenaars van het sociale web hanteren een dubbele logica. Enerzijds hebben ze nood aan voldoende openheid om sharing toe te laten, anderzijds proberen ze sharing in te perken om verhandelbare schaarste te creëren. Die tegenstrijdige logica veroorzaakt een spanningsveld. Bewuste gebruikersgroepen kunnen ervoor zorgen dat openheid overheerst en niet besmet geraakt door de logica van private belangen.

Het sociale web zou best wel eens een overgangsstadium kunnen zijn. Het is het resultaat van de relatieve zwakte van de sharing gemeenschappen. Maar naarmate sterkere gemeenschappen die gericht zijn op de commons zich vermenigvuldigen, is het mogelijk dat ze nieuwe gedistribueerde en open architecturen creëren die de private platforms mogelijk zullen verdringen (dit is echter niet zeker). De sharing gemeenschappen zouden de platforms kunnen gebruiken die gericht zijn op de commons.

Die platforms hebben behoefte aan kapitaal. Dit is niet alleen een objectieve noodzaak, maar ook het resultaat van beleidskeuzes op het vlak van infrastructuur en het gebrek aan alternatieven. We zouden bijvoorbeeld gecentraliseerde serverparken zoals die van Google kunnen vervangen door echte gedistribueerde peer-to-peer-systemen met kapitaal die door de gebruikers wordt bijeengebracht. Dat zou de exclusieve nood aan privéplatforms ondermijnen. De eis voor open sociale grafieken, voor open en onderling compatibele infrastructuren zal waarschijnlijk geleidelijk aan ‘enclosures’ (insluitingen) verminderen. Op dit ogenblik kunnen platformeigenaars hun focus verschuiven van het creëren van artificiële schaarste naar het scheppen van werkelijke meerwaarden, zoals bij Linux en sommige andere open source softwareprojecten. Maar ook hier is het bewustzijn van de noodzaak voor dergelijke gedistribueerde infrastructuren een kwestie van geletterdheid.


5.

Enkele ‘macromaatschappelijke’ opmerkingen ter afronding

Hoewel het kapitalisme springlevend lijkt, is het in werkelijkheid op stervensna dood. De voortzetting op lange termijn van een systeem dat steunt op oneindige groei binnen een eindige omgeving is fysiek en logisch onmogelijk. Maar ik geloof ook dat een antikapitalistisch betoog na 200 jaar falen waarschijnlijk contraproductief is.

Daarom denk ik dat het interessanter is om na te denken over hoe peer-productie, die naar onze mening zal uitgroeien tot de kern van sociale innovatie en waardeschepping, zich zal verhouden met de wereld van de fysieke productie van schaarse goederen. Met andere woorden: hoe zullen of zouden de commons zich verhouden tot de markt wanneer die wordt losgekoppeld van de kapitalistische logica van definitieve groei?

We achten het waarschijnlijk dat peer-to-peer zal uitgroeien tot de overheersende logica van waardecreatie, en dat die schepping van immateriële waarde de vorm zal aannemen van overvloedige reproduceerbare commons van open kennis. Dat wil zeggen dat ze in de vorm van gebruikswaarde zal bestaan, niet van ruilwaarde.

Aangezien we die logica van overvloed niet kunnen toepassen op de toewijzing van schaarse fysieke goederen, zullen we ze moeten combineren met andere toewijzingsmechanismen, waaronder de markt naast andere. Wij geloven en hopen dat dit zal resulteren in een pluralistische economie van “peer-geïnformeerde” vormen.

Om daar te geraken, is er een krachtige sociale beweging nodig die transgressieve en indien nodig conflicterende tactieken gebruikt, een constructieve benadering van nieuwe sociale levenswijzen die ontstaan uit de netwerkinfrastructuur –dit is de creatie van de nieuwe wereld binnen de oude- en de noodzakelijke inzet in bestaande instellingen om die aan te passen aan nieuwe sociale noden. De belangrijkste doelstelling is de logica van pseudo-overvloed in de fysieke wereld en het creëren van artificiële schaarste in de immateriële wereld om te draaien. In dit stadium denken we dat de nadruk moet liggen op de opbouw van de nieuwe wereld. Hierbij zijn degenen die sociale sharing en de productie van de commons bevorderen de bondgenoten van de prosumenten. We moeten voortdurend druk uitoefenen voor meer openheid door onze geletterdheid van participatie te verdiepen. Antagonistische tactieken zijn nodig waneer de mogelijkheid voor vrije samenwerking wordt aangevallen; terwijl institutioneel engagement zal mogelijk worden eens de sociale beweging een kritische massa heeft bereikt waarover ze nu nog niet beschikt.

Het creëren van een nieuwe maatschappelijke orde is nooit eenvoudig en ook niet automatisch. Maar de systeemcrisis, de technologische mogelijkheden van het sociale web en de nieuwe manieren van zijn en weten van prosumentengemeeschappen, zijn een goed voorteken. Het scheppen van een nieuwe maatschappelijke orde is ook niet gemakkelijk omdat er gewoonlijk overgangsfasen nodig zijn. Op dat vlak denken wij het volgende: aangezien geen enkele heersende klasse volledig suïcidaal is, zijn de meest ontwikkelde delen van de elite nu al bezig met een noodzakelijke en fundamentele hervorming naar een groen kapitalisme. Een dergelijk groen kapitalisme, dat uiteindelijk een contradictio in terminis is, zal verdere stappen moeten ondernemen naar meer openheid, participatie en creatie van de commons, wat de voorwaarden voor de vooruitgang van de peer-logica verder zal stimuleren tot ze is uitgegroeid tot de kern van waardecreatie en sociale logica.

Indien onze visie correct is, hebben we nieuwe denkmethodes nodig die niet louter de traditionele argumenten tegen kapitalistische uitbuiting herhalen, maar een voordurende versterking nodig heeft van sharing en gemeenschappen rond de commons als de belangrijkste agenten van sociale verandering."