Een groenere toekomst met peer-to-peer

From P2P Foundation
Jump to: navigation, search

MICHEL BAUWENS: EEN GROENERE TOEKOMST MET PEER-TO-PEER

Volgens Michel Bauwens nadert het op groei gerichte kapitalisme haar einde. Wat komt er voor in de plaats, een nieuwe vorm van hyperuitbuiting, of een peer-to-peer economie? Hij pleit voor het laatste.

Tekst: Freek Kallenberg

URL = http://www.milieudefensie.nl/publicaties/down-to-earth-magazine/artikelen/gemeenschappen-heroveren-de-economie


Interview

“De interesse was zeer intens”, laat Michel Bauwens via e-mail weten als ik hem vraag naar zijn lezingenreis door Australië die hij zojuist heeft afgerond. Vanuit hele wereld krijgt hij uitnodigingen om te vertellen over zijn revolutionaire ideeën over peer-to-peer (P2P) netwerken, de commons en de open source-economie: een economie gebaseerd op samenwerking en het delen van kennis, en waar grootschalige massaproductie zoveel mogelijk plaatsmaakt voor lokale productie op maat. Met als gevolg minder verspilling van grondstoffen en meer autonomie voor lokale gemeenschappen en individuen. Groener én socialer dus.

Bauwens verwierf in zijn geboorteland België in de jaren 90 bekendheid als internetgoeroe. Tegenwoordig woont hij met zijn gezin in Chiang Mai in Thailand. Daar geeft hij les aan de universiteit en nam hij het initiatief tot de Foundation for P2P Alternatives: een wereldwijd netwerk van wetenschappers en activisten dat onderzoek doet naar deze nieuwe peer-to-peer netwerken en praktijken.

“De basisidee van peer-to-peer is dat het internet een netwerk is van computers die met elkaar kunnen communiceren zonder dat daarvoor toestemming nodig is van een centrale server”, legt Bauwens uit. “Mensen kunnen hierdoor wereldwijd met elkaar in contact komen om gezamenlijk dingen te ondernemen.”

De wijze van ondernemen op basis van peer-to-peer netwerken verschilt ingrijpend van de kapitalistische productiewijze, die op particulier privé-eigendom gebaseerd is. “De belangrijkste voorwaarde bij peer-to-peer is dat het object waaraan verschillende mensen samenwerken, gemeenschappelijk bezit blijft. Het kan nooit privébezit worden, maar is onderdeel van de 'commons', de gemeenschap en de door haar gemeenschappelijk beheerde goederen. Mensen kunnen wel betaald worden om bijvoorbeeld een stukje software te schrijven, maar dat stukje software zal later voor iedereen beschikbaar blijven. Bedrijven werken in 'coöperatieve competitie', ze hebben een gemeenschappelijk doel en genieten automatisch van alle vooruitgang die hun partners maken.”


Veel bedrijven verzetten zich met hand en tand tegen het delen van 'hun' intellectueel eigendom, hun patenten. Vooralsnog worden zij gesteund door economen en politici die beweren dat anders innovatie, die ook nodig is voor een duurzamere wereld, niet meer mogelijk is. Hebben zij ongelijk?

“Het beste bewijs dat intellectueel eigendom niet nodig is voor innovatie is dat de mensheid heel wat innoveerde voor de uitvinding van dit eigendomsrecht. Denk maar aan de eerste industriële revolutie van de Middeleeuwen of de Renaissance. Er zijn voorbeelden, zoals de geschiedenis van de stoommachine, die aantonen dat de innovatie juist dramatisch afneemt na het patenteren. Patenten dienen niet om innovatie te stimuleren, maar om investeringen te beschermen. Momenteel is het eigendomsrecht vooral een wapen om monopolies te beschermen tégen innovaties. Een traditioneel bedrijf als Microsoft bezit een intellectueel monopolie, maakt daardoor superwinsten en weert andere spelers uit de sector. Het gevolg is dat alle innovatie verdwijnt.

Volgens mij moeten we intellectuele eigendomsrechten niet noodzakelijk volledig afschaffen, maar wel sterk afremmen. En waar intellectuele eigendomsrechten tot de dood van mensen lijden, zoals in de farmaceutische industrie – denk aan de medicijnen tegen AIDS – moeten we terug naar het model van publieke investering in onderzoek, waarbij ondernemingen winst maken met productie, niet door het kunstmatig hoog houden van de prijzen van de geneesmiddelen.”


De peer-to-peer economie is gebaseerd op samenwerking. Volgens het gangbare liberale denken is juist het nastreven van eigenbelang en hebzucht de motor achter economische ontwikkeling. Is dit in de P2P-economie afwezig?

“Geen enkel wetenschappelijk onderzoek heeft die neoklassieke hypothese kunnen bevestigen, niet één. Een mens die exclusief zijn eigenbelang nastreeft bestaat enkel in pathologische gevallen. Mensen worden gedreven door verschillende motivaties. Het liberalisme, en zijn nadruk op het eigenbelang, was een revolutie tegen de hypocriete religieuze moraal. Die moraal leidde namelijk tot de vele burgeroorlogen na de Reformatie. In die zin was het liberalisme wellicht een noodzakelijke erkenning van het eigenbelang, die een van de primaire aspecten is van ons mensdom, maar zeker niet het enige. Echter, na drie tot vier eeuwen leven met een systeem dat exclusief het eigenbelang benadrukt, is de planeet zeer beschadigd, is ongelijkheid troef, en zijn vele menselijke problemen niet opgelost.

P2P-netwerken reageren hierop door sociale en productieve systemen te creëren die 'motivatie-agnostisch' zijn, en dus ruimte laten voor eigenbelang, maar die de individuele motivatie verenigen met het collectieve belang. Iedereen die besturingssysteem Linux ontwikkelt, wat ook zijn motivatie is, werkt aan een universeel vrij computer systeem. Iedereen die aan Wikipedia bijdraagt, bouwt mee aan een universele encyclopedie. Het systeem vervangt de onzichtbare hand van de markt door een zichtbare hand van het sociale design.”


In deze netwerkeconomie kan iedereen dus meedenken en doen. Hoe wordt hier kwaliteit gegarandeerd?

“De voornaamste innovatie hier is de volgende: in traditionele industriële systemen zorgt de hiërarchie voor controle, en voor alles heeft men vooraf toestemming nodig. In de nieuwe systemen is iedereen vrij om mee te produceren, dus zonder toestemming, maar gebeurt de controle achteraf, door experts die het systeem zelf voortbrengt. Vrije software heeft 'maintainers', de Wikipedia heeft 'admins' en 'editors'. Die mensen controleren niet de productie, wel de kwaliteit.”


Naast software worden er ook steeds meer hardware 'open source'-producten gemaakt. De Wikispeed is bijvoorbeeld een energiezuinige auto die via virtuele samenwerking op internet in drie maanden tijd werd ontwikkeld. Hoe kunnen mensen hier geld aan verdienen?

“Wikispeed wordt zoals vele open hardware producten geregeld door een licentie. Zo'n licentie is collectief en behoort 'aan iedereen'. Iedereen mag de code gebruiken en verbeteren op voorwaarde dat de veranderingen en verbeteringen die anderen aanbrengen ook collectief bezit zijn. Meestal wordt zo'n project geregeld door een vereniging zonder winstoogmerk. Die kan bijvoorbeeld een trademark hebben, om de kwaliteit van het merk te beschermen, en zo fondsen te verwerven voor de gemeenschappelijke infrastructuur. Iedereen heeft daarbij het recht om het product te maken en te verkopen. Je verdient dus geld door je arbeid aan de fysieke productie van de auto, en de winstmarge van het fysieke product. Wikispeed heeft overigens ook een contract waarin het zich moreel engageert om de ontwerpers te vergoeden, maar in een later stadium waarin het meer inkomen genereert.

Het netwerk van biolabs Sensorica heeft een 'open waarde netwerk', waarin medewerkers hun bijdragen noteren, die geëvalueerd worden door hun collega's, en iedereen krijgt daarbij een score. Wanneer er inkomen wordt gegeneerd, krijgt iedereen een deel afhankelijk van zijn score. Er wordt dus nog veel geëxperimenteerd. Open source software is al gangbaar, maar open hardware staat nog in de kinderschoenen.”


Is dit model op grotere schaal toepasbaar? Zien we in de toekomst in plaats van een aantal grote assemblagefabrieken duizenden kleinere werkplaatsen waar lokaal auto's of andere complexe fysieke producten worden gemaakt?

“Het is eigenlijk te vroeg om hierop te antwoorden, maar zelf denk ik van wel. In een noodzakelijk veel energiezuiniger samenleving, waarbij internationale transportkosten steeds zwaarder zullen wegen, is een zekere vorm van materiële re-lokalisatie onafwendbaar. Schaalvoordelen ('economie of scale') maken dan plaats voor 'economies of scope', in essentie meer doen met dezelfde middelen. Het open design/open hardware model zorgt ervoor dat globale gemeenschappen van experts voortdurend de producten en infrastructuur verbeteren. Daarnaast worden onze machines steeds kleiner waardoor lokale productie mogelijk wordt. Er komt volgens mij een moment waarbij het zinvol wordt om beide aspecten samen te voegen: kennis en productontwikkeling in globale netwerken gecombineerd met een 'herlokalisering' van de productie.”


Deze open source-productie is nu nog kleinschalig. Hoe snel kan zij groter worden?

“De open source-economie is groter dan je denkt. Het grootste deel van de Chinese economie is open source. Westerse bedrijven die in China willen investeren zijn verplicht om industriële informatie te delen met met de Chinezen. Ook in de VS vertegenwoordigt de open source-productie nu al een zesde van het BNP. Je moet hier denken aan alle immateriële producten die niet onderhevig zijn aan copyright en patenten. De economie rond Google Earth, en alle mogelijke mappingapplicaties, de open source-economie in software. Maar ook de apparatuur die hiervoor nodig is, zoals de Androidtelefoons, en Linuxcomputers.”

De kapitalistische bedrijven hebben de peer-to-peerproductie dus deels geïntegreerd. Maar omdat open source-processen zoveel sneller en effectiever zijn, moeten centralistische bedrijven zich aanpassen aan de open source-dynamiek en de gemeenschapsnormen, zoals IBM dit heeft moeten doen met Linux. Zelf wil ik nog verder gaan en ervoor zorgen dat open productiegemeenschappen direct met ethische en commons-vriendelijke bedrijven kunnen werken.”


Volgens jou is de open source-economie duurzamer. Waarom?

“De huidige, op privaat eigendom gebaseerde, ondernemingen hebben er een materieel belang bij om producten te creëren voor schaarste. Men maakt producten die snel kapot gaan en niet hersteld kunnen worden, zoals de iPhone, die slechts vierhonderd keer geladen kan worden. Ontwerpgemeenschappen hebben daarentegen als enige motivatie om het best mogelijke, en zuinigste, product te creëren. Alle open source autoprojecten hebben bijvoorbeeld een ecologisch aspect, terwijl dat voor industriële auto's alleen gebeurt onder de druk van regulatie en wetgeving.

Wikispeed gebruikt recycleerbaar materiaal met een productie die modulair is opgevat, een beetje zoals lego. Er wordt samengewerkt aan zowel het ontwikkelen van de auto, als aan de machines die de auto moeten produceren. Zonder extra kosten voor intellectuele eigendsomrechten kan er dus ook zeer goedkoop geproduceerd worden, en alleen maar op bestelling. Wikispeed ontwikkelt zo in drie maanden tijd een auto die vijf keer zuiniger en gebruiksvriendelijker is dan die van de grote autobedrijven, die beweren dat het onmogelijk is.”


Wordt er in een open source-economie ook anders geconsumeerd?

“Dat gebeurt nu al. Volgens de Amerikaanse auteur Rachel Botsman zitten we midden in een revolutie waarin bewuste mensen de ik-cultuur van de overconsumptie omkeren naar een wij-cultuur waar persoonlijk bezit in dienst staat van het collectief. Zij noemt dit 'collaborative consumption'. Denk hierbij aan het delen van auto's of gereedschappen die je zelden gebruikt. Dit heeft naast sociale ook enorme ecologische voordelen. Zo kan je met autodelen dezelfde reisflexibiliteit hebben, met 80 procent minder materie en energieverbruik. En het scheelt enorm als je in een straat of buurt geen twintig maar slechts één drilboor of grasmaaimachine aanschaft die je samen deelt.

Natuurlijk is deze consumptiewijze ook een gevolg van de economische crisis. Die heeft meer mensen naar de alternatieve productie- en consumptievormen gedreven dan idealisme. De explosie van lokale ruil- en geldsystemen in Spanje, van een tiental tot meer dan driehonderd, is duidelijk een effect van de crisis en de werkloosheid.”


Is de opkomst van deze van de peer-to-peer netwerken een werkelijke systeemverandering, vergelijkbaar met de overgang van de feodale landbouweconomie naar de kapitalistische industriële economie?

“De verandering naar P2P-infrastructuur is in versnellende mate bezig, en ook de praktijken en nieuwe institutionele aanpassingen komen er aan. De ecologische crisis is van dien aard dat de transformatie veel sneller en dieper zal moeten gaan dan onze historische voorbeelden. De transitie naar het feodalisme duurde vijfhonderd jaar, de transitie naar het kapitalisme misschien driehonderd... die tijd hebben we gewoon niet. Ik zie de transitie dus gebeuren binnen een generatie. Het kapitalisme en zijn eindeloze groei is al dood, de vraag is: wat komt er in de plaats? Een nieuwe vorm van hyperuitbuiting, of een peer-to-peer-economie?

Die laatste vereist een verandering in onze technologie en productiemethoden, nieuwe instituties, maar ook politieke strijd. Ik stel zelf een grote 'coalitie van de commons' voor van piraten (digitale jongerencultuur), groenen (natuur als commons), hernieuwd links (de wereld van de arbeid en productie) en sociaal-liberalen (partij voor progressieve ondernemers). Deze nieuwe sociologische en politieke meerderheid verenigt zich rond de commons en P2P-netwerken. Ze moet snel verder werken aan dit alternatief systeem voor als het huidige ineenstort.”


Is in deze 'coalitie van de commons' een rol weggelegd voor ngo's als Milieudefensie en haar netwerk Friends of the Earth?

“Dat is moeilijk. Qua structuur zijn veel bestaande ngo's hiërarchisch georganiseerd. In het beste geval is er een democratische beslissing over wat er 'samen' moet gebeuren, maar meestal gaat het om beslissingen die door de leiding worden genomen, en door betaalde krachten worden uitgevoerd, met hulp van de vrijwilligers. In de P2P-systemen kan iedereen een bijdrage leveren, en is er kwaliteitscontrole achteraf; men gaat ervan uit dat er een overvloed aan oplossingen is en dat oplossing uit het proces zelf zal komen. De formele P2P 'stichtingen' staan enkel in voor de bescherming van het gemeenschappelijke platform, voor het mogelijk maken van de samenwerking, door de juiste socio-technische middelen ter beschikking te stellen, maar er is geen top-down systeem dat de acties zelf bestuurt. Als ngo's als Milieudefensie een rol willen vervullen moeten ze zich hervormen en zich deze peer-to-peer-werking eigen maken. Maar ik denk eerder dat er vele nieuwe organisaties ontstaan die van de grond uit een P2P-werking hebben.”